In 1942 dook de Antwerpse verzetsstrijder Marcel Louette onder in een herenhuis aan de Cuylitsstraat 31. Van daaruit leidde ‘Fidelio’ de Witte Brigade. Op 9 mei 1944 deed de Duitse politie een inval in het pand, met ernstige gevolgen voor de familie die er woonde. Lucia, Louis, Mathilda en Margaretha werden gearresteerd en naar verschillende kampen gedeporteerd.
De vrouwen werden op een transport naar Ravensbrück gestuurd, en de schoonzoon naar Buchenwald. De moeder, die zwaar werd geslagen omdat ze verantwoordelijk werd gehouden voor het onderduiken van Marcel Louette (Fidelio), en de schoonzoon hebben het niet overleefd.”
Margartha Leurs en haar dochters werden op 19 juni 1944 samen naar Ravensbrück getransporteerd. Ze werden daar eind april 1945 geëvacueerd als onderdeel van een reddingsoperatie door het Zweedse Rode Kruis. Lucie, Mathilde en Margaretha werden per boot naar Malmö gebracht.
Het staat vast dat Margaretha in Zweden terechtkwam. Ze stierf daar op 3 mei 1945 als gevolg van de ontberingen die ze had doorstaan.
Louis De Vries, de echtgenoot van Lucie, werd op 18 mei 1944 naar Buchenwald gedeporteerd. Zijn naam staat ook op een transportlijst naar het subkamp Dora Mittelbau en op een lijst van gevangenen die te werk werden gesteld in het werkkamp Harzungen. Op zijn overlijdensakte staat dat hij vermoedelijk rond Nieuwjaar 1945 is overleden. Zijn naam staat ook op een transportlijst vanuit het ziekenhuis van het kamp Dora, gedateerd februari 1945. Hij is in ieder geval ergens in die periode overleden.
Lucie hertrouwde met een Nederlander en verhuisde naar Amsterdam
Mathilde keerde ziek terug naar huis, maar herstelde en trouwde in 1947 met haar verloofde Jean Janssens (die ook tijdens de oorlog actief was geweest).