Hier en nu wil ik u meenemen in het verhaal van Louis Smets. Geboren in Antwerpen op 28 november 1909. Een havenarbeider. Vader van vier kinderen.
Als kind groeide Louis op in een groot arbeidersgezin. In zijn jeugd maakte hij bittere armoede mee. Als jongeman raakte hij in de ban van de marxistisch-leninistische ideologie, waarvan hij geloofde dat die een oplossing kon bieden voor de geopolitieke problemen van die tijd.
In 1932 trad hij toe tot de Belgische Communistische Partij, waar hij zich ontpopte als een actieve militant. Hij ontwikkelde een sterke toewijding aan de strijd voor een betere wereld.
In deze context gaf hij gehoor aan de oproep van de Communistische Internationale om in Spanje te gaan vechten aan de zijde van het republikeinse leger tegen de fascistische rebellen van Franco. In oktober 1936 sloot hij zich aan bij de Internationale Brigades en vertrok hij naar Spanje.
Toen mijn grootmoeder aan mijn grootvader vroeg waarom hij in het verre Spanje wilde gaan vechten, zou hij hebben geantwoord: ‘Als we de fascisten niet stoppen, komt er zeker een wereldoorlog.’ Profetische woorden, zoals later zou blijken.
Hij werd ingedeeld bij de 11e Internationale Brigade en diende in de Ana Pauker-batterij, een eenheid zware artillerie die vanaf begin 1937 betrokken was bij een aantal hevige gevechten rond Madrid.
Toen hij na 17 maanden terugkeerde naar België, was niets meer hetzelfde.
Hij was diep getekend door wat hij in Spanje had meegemaakt en, tot overmaat van ramp, werd hij bij zijn terugkeer veroordeeld tot gevangenisstraf wegens desertie uit het Belgische leger tijdens de periode dat hij in Spanje had gevochten. Een vreemde wending in de Belgische politiek, maar dat zou ons te ver afleiden.
In dezelfde periode zette hij zich actief in voor de opvang van Spaanse kinderen die de burgeroorlog ontvluchtten – de zogenaamde ‘los niños de la guerra’. Hij zocht onder meer pleeggezinnen in de omgeving van Antwerpen, terwijl hij zelf onderdak bood aan drie jonge oorlogsvluchtelingen, wat voor het jonge gezin geen sinecure was. Kort na het uitbreken van de oorlog zouden de Spaanse kinderen het gezin verlaten.
In januari 1941 woonde Louis een clandestiene bijeenkomst bij in het huis van zijn kameraad Brodmann aan de Van Duyststraat, waar hij diezelfde avond lid werd van de afdeling van de Patriottische Milities, een Onafhankelijkheidsfront. Vanaf het begin maakte hij deel uit van een actieve en gewapende cel die zich bezighield met het vervoer en de opslag van wapens en explosieven, sabotageacties en aanvallen op vijandelijk personeel, gebouwen en installaties.
Toen de Duitsers vanaf de zomer van 1941 systematisch verzetsstrijders in Deurne begonnen te arresteren, verliet hij op 2 november 1941 de echtelijke woning hier aan de Meeuwenhoflei 123, het huis achter ons, met de bedoeling onder te duiken. Dat was geen moment te vroeg. Want de volgende dag al deed de Sicherheitspolizei een inval in het huis en nam mijn grootmoeder mee voor verhoor. Maar omdat ze niet wist waar haar man verbleef, werd ze vrijgelaten.
Vanaf dat moment leefde Louis ondergedoken op verschillende clandestiene adressen, met valse papieren en voortdurend gewapend, uit angst voor een aanslag op zijn persoon. Maar hij zette zijn verzetsactiviteiten onverstoorbaar voort.
In zijn dossier vinden we twee specifieke acties uit die periode:
Het eerste incident betreft een zekere Julien Lepomme, een informant die was geïnfiltreerd in een eenheid van de Patriottische Milities, waarvan alle leden werden gearresteerd en meegenomen als gevolg van Lepommes verraad. Om verder verraad te voorkomen, schoot Louis op 12 augustus 1942 Lepomme dood in zijn café aan de Kloosterstraat. Als vergelding voor deze actie werden op bevel van de Militärverwaltung tien verzetsstrijders, waaronder zijn kameraad Brodmann, gearresteerd en geëxecuteerd. Over dit incident werd bericht in de collaboratiekrant ‘Volk en Staat’.
Na de oorlog getuigde de persoon die Louis voor het verzet had gerekruteerd over een tweede incident: Louis zou in het voorjaar van 1942 een officier van de Sicherheitsdienst in de Lange Dijkstraat hebben neergeschoten. De man overleefde de aanslag echter en er volgde onmiddellijk een klopjacht. Louis wist te ontsnappen, maar vanaf dat moment was de jacht definitief geopend.
Louis was blijkbaar ‘geen gewone man’, zoals we in Antwerpen zeggen. Een lid van zijn verzetsgroep beschreef hem na de oorlog als volgt, en ik citeer: ‘Smets was vanaf het allereerste begin een verzetsstrijder binnen de gelederen van de Patriottische Milities. In zijn onverschrokken aanvallen op vijandelijke uitrusting en personeel toonde hij buitengewone moed en minachting voor zijn eigen leven.’ Einde citaat.
Die reputatie was ook de Duitsers niet ontgaan, en zij waren vastbesloten hem koste wat kost te vangen.
Dit blijkt ook uit de verklaring van een zekere Wijndaele, een verrader die de Gestapo hielp.
Eind oktober 1942 benaderde Wijndaele, die zich voordeed als lid van de Communistische Partij, mijn grootmoeder met het verhaal dat hij contact wilde leggen met Louis om een aanval voor te bereiden.
Die man moet erg overtuigend overgekomen zijn, want mijn grootmoeder regelde, in goed vertrouwen, een ontmoeting tussen Wijndaele en haar man.
U moet echter weten dat sinds mijn grootvader het ouderlijk huis had verlaten, mijn grootouders geen enkel contact meer hadden gehad, behalve af en toe een briefje dat via een netwerk van koeriers en contactpersonen werd doorgegeven. Een interessant detail is dat mijn vader, als 12-jarige jongen, deze keer werd ingezet als koerier om het briefje voor de ontmoeting aan een contactpersoon te overhandigen.
iets wat hem de rest van zijn leven achtervolgde: een aanhoudend schuldgevoel over zijn ‘rol’ in de dramatische ontknoping van het verhaal. ‘Wat als hij dat briefje niet had overhandigd…?’
De ontmoeting was gepland op 2 november 1942 om 20.30 uur in het Sportpaleis in Deurne.
Op het afgesproken tijdstip arriveerde mijn grootvader op de ontmoetingsplaats, gewapend met twee pistolen. Maar in plaats van Wijndaele wachtte de Gestapo hem daar op en arresteerde hem.
De Gestapo bracht hem naar het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst aan de Della Faillelaan in Wilrijk, waarna hij nog diezelfde nacht werd overgebracht naar het kamp Breendonk.
Over zijn verblijf in het kamp Breendonk is weinig of niets te vinden. Alles wijst er echter op dat ook hij werd blootgesteld aan marteling en mishandeling door de SS-kampbewakers.
Hij zou uiteindelijk iets meer dan negen maanden in Breendonk doorbrengen.
Op 19 augustus 1943 werd hij overgebracht naar de gevangenis in de Begijnenstraat in afwachting van zijn proces.
Dat proces vond plaats op 9 september 1943 voor de krijgsraad van Feldkommando 520, die was gevestigd in de gebouwen van de Agence Maritime aan de Meir.
Mijn vader herinnerde zich in dit verband het volgende voorval:
Mijn vader hoorde via via dat zijn vader die dag voor de krijgsraad moest verschijnen en ging naar de Meir in de hoop een glimp van zijn vader op te vangen. Als bij wonder gebeurde dit net op het moment dat Louis, vergezeld door zwaarbewapende Duitsers, na het proces naar de Begijnenstraat werd afgevoerd. Hun blikken kruisten elkaar; Louis herkende zijn zoon in de menigte en maakte het V-teken in zijn richting. Mijn vader – een 13-jarige jongen – interpreteert dit als ‘pfff, hij is er met twee jaar gevangenisstraf nog goed vanaf gekomen’.
Achteraf beseft hij dat dit de laatste keer was dat hij zijn vader zag, want op die 9 september 1943 veroordeelt het Kriegsgericht Louis ter dood wegens ernstige bolsjewistische activiteiten, illegaal wapen- en explosievenbezit, terroristische aanslagen en poging tot moord.
Op 17 september 1943 gaf generaal Von Falkenhausen, de militaire opperbevelhebber in België en Noord-Frankrijk, opdracht om het doodvonnis door ophanging te voltrekken.
Op 28 september 1943 werd Louis overgebracht naar het concentratiekamp Vught in Nederland, waar hij nog diezelfde dag werd opgehangen, samen met negen andere partizanen. Hij was nog geen 34 jaar oud.