Helena Popper is een Oostenrijkse van joodse afkomst. Begin 1939 vluchtte ze samen met haar man, Jakob Korn, en haar zoon, Friedrich Josef, voor de nazi’s naar Antwerpen, met Palestina als eindbestemming. Toen de Duitsers in mei 1940 binnenvielen, nam de Belgische staatsveiligheidsdienst alle verdachte Belgen en buitenlanders in hechtenis. Onder de gearresteerden en gevangenen bevonden zich vader Jakob en zoon Friedrich. Uiteindelijk zouden ze allebei in Auschwitz terechtkomen, om nooit meer terug te keren. Ondertussen vluchtte Helena Popper uit Antwerpen en kwam, als bij toeval, in Roeselare terecht. Ze werd daar meerdere keren gearresteerd omdat ze Duits sprak, maar werd telkens weer vrijgelaten. De situatie maakte zo’n diepe indruk op haar dat ze op 17 mei 1940 zelfmoord pleegde.
Helena Popper werd begraven tussen de Roeselare-oorlogsslachtoffers van de meidagen van 1940 en werd later herbegraven op de gemeentelijke erebegraafplaats. Op 19 november 1996 werd ze, volgens de joodse traditie, opnieuw opgegraven en overgebracht naar de joodse begraafplaats in Putte, Nederland. Op 21 november 1999 werd op de gemeentelijke begraafplaats van Roeselare een gedenksteen onthuld in aanwezigheid van een joodse delegatie uit Antwerpen. Deze steen dient als een blijvende herinnering aan het vreselijke leed dat zo velen hebben doorstaan en tegelijkertijd als een oproep tot meer tolerantie.