Johanna Weißensteiner was een politiek slachtoffer van vervolging. Ze behoorde tot de kring van de „Rote Kapelle“ („Rode Orkest“), werd in 1942 door de Gestapo gearresteerd en zat tot 1944 opgesloten in de vrouwenafdeling van de Moabit-gevangenis in Berlijn. Ze overleefde de naziperiode en keerde later terug naar Aschau.
Ludolf Bodmer was operazanger en werd als jood vervolgd. In 1933 verloor hij zijn baan bij het Stadttheater Dortmund. Samen met zijn niet-joodse vrouw Elisabeth Bodmer, eveneens operazangeres, trok hij zich terug in het “Margaretenhäusl” in Sachrang/Grattenbach. Hij verloor zijn bezittingen en vermogen, ontsnapte ternauwernood aan deportatie en stierf op 2 december 1943, in de tekst van het plaatselijke Stolperstein-initiatief omschreven als “geestelijk gebroken en lichamelijk uitgeput”. Elisabeth overleefde de naziperiode.
Ingrid Dybwad werd in 1934 als joodse vrouw ontslagen bij de Duitse Academische Uitwisselingsdienst in Berlijn, waar ze een belangrijke rol had vervuld bij de ondersteuning van beursstudenten. In 1935 trok ze zich terug in Berghof Hochleit bij Sachrang en stierf daar plotseling in 1940.
Gudny Dybwad, haar zus, werd eveneens getroffen door de nazi-rassenwetten: in 1936 moest ze haar goudsmederij in Berlijn opgeven. Na Ingrids dood bleef ze het pand in Sachrang onderhouden en overleefde ze daar de naziperiode.