Bernhard Meyer (1865–1942) werd op 6 maart 1865 in Berlijn geboren als zoon van joodse ouders. Voordat hij in 1916 met zijn vrouw Therese naar Bad Sachsa verhuisde, werkte hij als magistraat in Berlijn. In de jaren twintig bekeerde hij zich van het jodendom tot het protestantisme. Vanaf 1928 was hij werkzaam als advocaat met een eigen advocatenkantoor in de Marktstraße in Bad Sachsa. Van 1918 tot 1933 was Meyer gemeenteraadslid in Bad Sachsa en vanaf 1924 stond hij bovenaan de kandidatenlijst van de Duitse Volkspartij (DVP). Al in 1926 was hij het doelwit van vijandigheid toen verschillende ramen van zijn villa op de Pfaffenberg werden ingegooid. In 1933 werd hem op grond van de wet voor het herstel van het ambtenarenapparaat het uitoefenen van zijn beroep verboden en werd zijn advocatenkantoor gesloten. Hierdoor verloor hij zijn broodwinning en kon hij alleen overleven met de hulp van de inwoners van de stad en door het verkopen van kostbaarheden. Gedurende deze periode werd hij verder lastiggevallen en vernederd. Op 12 augustus 1942, een dag voor zijn aangekondigde deportatie naar een concentratiekamp, maakte hij een einde aan zijn leven.