Philip Sluis groeide op in een joods gezin in Amsterdam, waar hij woonde in een sociale woning die was gebouwd om betere leefomstandigheden te bevorderen. Omdat hij vanwege astma werd afgekeurd voor militaire dienst, werkte hij als klerk. In 1940 trouwde hij met Betsie van der Lijn uit Haarlem, wier vader een winkel runde en later een restaurant dat tijdens de nazi-bezetting alleen toegankelijk was voor joodse klanten. Het echtpaar vestigde zich in de buurt van Philips zussen, in een wijk met gemeenschappelijke speeltuinen en culturele voorzieningen. Nadat de anti-joodse maatregelen waren verscherpt, werden Philip en Betsie in juli 1942 opgepakt, via Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd en later dat jaar vermoord. De meeste van hun familieleden werden ook vermoord in Sobibor of Auschwitz, behalve Betsie's broer Lion, die het overleefde nadat hij in België in een psychiatrische pleegzorginstelling had gewoond en later naar Nederland terugkeerde.