Salomon Wagenhuis was een stropdassenfabrikant. Het gezin verhuisde hierheen in 1937. In 1940 bezat Salomon een auto die voor het huis geparkeerd stond (politierapport 1940, Stadsarchief Amsterdam). Zijn vrouw Elisabeth was naaister en zijn zoon Samuel was bontwerker. Het woord ‘fabrikant’ klinkt nogal indrukwekkend, maar de familie werkte in hun eigen bedrijf, genaamd SAWA – in ieder geval Salomon, zijn vrouw en hun dochter Selma.
Tijdens de bezetting werkte zijn zoon Samuel als nachtwaker op het Waterlooplein voor de Joodse Raad, en ook Salomon werkte voor de Joodse Raad. Ze waren onderworpen aan een avondklok en vluchtten in 1943, maar werden in België gearresteerd en vanuit Mechelen gedeporteerd.
Hun dochter Selma, geboren in 1918, trouwde in 1941 en overleefde de oorlog samen met haar man door onder te duiken toen hun verblijfsvergunningen waren verlopen. Na de oorlog runden zij en haar man nog een tijdje de dasbontfabriek.