Plantage Kerklaan 63 Amsterdam
Joseph was een gelovige en vrome man. Hij was gabai, vervulde taken binnen de synagoge. Het hoogtepunt van zijn leven was de inwijding van zijn oudste zoon Abraham als rabbijn. Het gezin vierde uitgebreid de joodse feestdagen. Met Soekot bouwden ze, als een van de weinigen in de straat, een grote loofhut en ontvingen op Jomtov, na de gebeden, met gemak 30 man die brood en wijn deelden, ook al was het leven voor hen geen vetpot. Ook de vrijdagavonden waren speciaal: er werd samen gebeden, gegeten en spelletjes gedaan, zoals domino en schaken. Op de vrijdagavonden kwam een niet-joodse vrouw het licht uitdoen. Als het schaakspel aan het eind van de avond nog niet afgelopen was, schonk moeder Betje zeer hete thee in die heel langzaam afkoelde zodat nog lang doorgespeeld kon worden. Op sabbat werd gewandeld en op die dag werd er niet over geld of over de zaak gesproken. De kinderen waren lid van joodse verenigingen. Moeder Betje naaide alle kleren zelf. Pas met de bar- en batmitswah kregen de kinderen voor het eerst nieuwe kleding. De tweeling Sara (donker) en Klaartje (albino) zagen er altijd hetzelfde uit. Toen de kinderen eenmaal moesten werken, deden ze het geld in de huishoudpot en kregen ze wat zakgeld. Frederika kon niet werken omdat ze een oogafwijking had, na de huishoudschool hielp zij haar moeder thuis. Alle kinderen moesten werken, behalve Abraham die de opleiding tot rabbijn mocht volgen. Joseph was in inmiddels handelsreiziger in aardewerk. Hij had zijn baan in de porselein op een speciale manier verkregen. Hij had een compagnon en bij een speciale gelegenheid wilde de regering een bord met afbeelding van de koningin bestellen. Degene die mee wilden doen, moesten zich inschrijven en het resultaat aanbieden op een bepaalde zaterdag. De compagnon – niet religieus – wilde aan de wedstrijd meedoen, maar Joseph niet omdat hij op sabbath niet mocht werken en reizen. Hij schreef aan de regering in Den Haag dat hij als religieuze jood op zaterdag verhinderd was te komen en vroeg of het mogelijk was een dag eerder zijn ontwerp aan te bieden. Dat mocht. Na enige dagen in spanning gezeten te hebben, bleek dat hij de wedstrijd gewonnen had. Hij ontwikkelde zich tot reiziger in aardewerk en had ook een showroom aan de Zwanenburgwal 40 waar alles stond uitgestald. Toen de meisjes wat ouder werden, moesten ze om de paar weken op zondag al het aardewerk schoonpoetsen. Joseph en Betje zijn op 24 oktober 1942 klaarlichte dag weggehaald. Sara was thuis, zag het gebeuren en kon niets doen. Door de schok verloor ze haar stem waardoor ze haar familieleden niet kon vertellen wat er gebeurd was. Dat moesten de buren doen. ‘s Avonds kwam Barend Drukarz, de broer van Rachel (de vrouw van Abraham) naar hun huis die Sara onverwacht met ijskoude handen een klap in haar gezicht gaf. Hierdoor kreeg zij haar spraak terug. Oudste zoon Abraham is nog naar de Hollande Schouwburg gegaan om te proberen zijn ouders vrij te krijgen, hetgeen niet gelukt is. Zelf kon hij weer huiswaarts keren. Een paar weken na de arrestatie van hun ouders moesten de meisjes die nog thuis aan de Plantage Kerklaan 63 woonden, verhuizen: Elisabeth, Klaartje, Sara en Frederika. Joden moesten bij elkaar wonen in bepaalde straten en op 19 november 1942 kwamen ze terecht in de Schalkburgerstraat 25-II in de Transvaalbuurt in Amsterdam Oost. Ze mochten vrijwel niets meenemen. Alle vier zussen wisten een Sperre te bemachtigen via de Joodse Raad, waardoor ze 'bis auf weiteres' (voorlopig) vrijgesteld waren van deportatie. Sperres konden echter ook zomaar weer vervallen (zie noot). In april 1943 moesten 72 gesperrde families zich melden, onder hen ook Abraham en Rachel, Nathan en Sybille, Lies en Klaartje. Onduidelijk is waarom Sara en Frederika niet opgeroepen werden. Klaartje was de enige van de vier zussen die niet huilde. Ze troostte iedereen en zei: ‘Denk maar dat we een lange vakantie tegemoet gaan en dat we elkaar daarna weer zien.’ Niets zou minder waar blijken te zijn. Op 25 mei 1943 arriveerden Lies en Klaartje in Westerbork en een paar dagen later, op 1 juni, volgde deportatie naar Sobibor waar de zussen Lies en Klaartje direct na aankomst om het leven werden gebracht. Abraham en Rachel woonden aan de Weesperzijde 63 II waar zich onder het dak een onderduikplek bevond. Vanaf april voegden Sara en Frederika zich bij hen, ze bleven er tot aan Rosj Hasjana 1943. Op die avond vertrokken ze naar de onderduikplek van Barend Drukarch en een paar dagen later naar de Fokke Simonszstraat 80. In de nacht van 29 september 1943 vond de laatste grote razzia plaats op de joden in Amsterdam. Het was Rosj Hasjana. Abraham was naar de synagoge gegaan en wist zich wist zich onder het almemor in de synagoge te verstoppen. Nathan en echtgenote Sybille vertrokken samen met Rachel en met de andere opgehaalde joden naar het station. Groot was de verbazing toen Rachel later die dag weer aanklopte bij het onderduikadres. Het lukte ook Sybille te ontsnappen. Beiden hadden weten te vluchten van de verzamelplaats. Vermeld moet worden dat Rachel in het jaar daarvoor haar baby Mirjam aan het verzet had afgegeven en Sybille haar zoon en dochtertje. Op het onderduikadres aan de Fokke Simonszstraat woonden vanaf dat moment 5 mannen en 6 vrouwen. Rachel kreeg via het verzet papieren van een bij het bombardement in Rotterdam omgekomen familie. Enige tijd later kregen ook de anderen valse papieren. Sara is vanaf dat moment twee jaar lang, tot aan het einde van de oorlog, niet meer op straat geweest. Er heerste verveling: de onderduikers stonden pas om 11 uur op om het ontbijt uit te sparen, ze vingen de talloze vlooien, schreven een Hagada-verhaal voor Pasen en maakten een kalender van andere joodse feestdagen, Sara naaide kledingstukken met de hand, later kreeg ze een handnaaimachine. Op een gegeven moment werd de spanning van het onderduiken voor Sara teveel. Ze zei tegen haar familie dat ze zich ging aangeven bij de Gestapo. Ze kon het niet meer volhouden. Haar broer Abraham zei dat als ze dat zou doen daarmee alle onderduikers in het huis zou verraden. Uiteindelijk deed ze het niet. De onderduikers maakten de bevrijding mee, die voor hen overigens nauwelijks een bevrijding was. Ze hoorden voor het eerst van het bestaan van Auschwitz en Sobibor, en niet veel later dat hun ouders, Joseph en Betje, en hun zussen Elizabeth en Klaartje waren omgekomen. Nathan keerde na enige tijd ‘als een skelet’ terug uit Bergen Belsen, aldus Sara. In 1946 vertrok Frederika naar Palestina. Alles geschiedde illegaal. Sara voelde zich mentaal geknakt en mocht van haar arts maar 4 uurtjes per dag werken. Ze kon zichzelf nauwelijks onderhouden. Na de stichting van de staat Israël kreeg ze van haar broer Abraham een naaimachine en van Nathan de reis naar Israël cadeau: ook zij vertrok ondanks het feit dat haar zus Frederika had laten weten dat het geen gemakkelijk land was om te wonen. In oktober 1949 verliet ze uiteindelijk toch haar geboortegrond. In december 1955 leerde ze Max Diamant kennen, ze trouwden in augustus 1956 en augustus 1958, ze was al 38 jaar, kreeg ze een zoon: David. Hij trouwde op zijn beurt met Deborah Josefson en ook zij kregen kinderen. Sara: ‘Es ist ein grosses Privileg, Enkel zu haben, es ist ein grosses Glück und bringt viel Freude, sie aufwachsen zu sehen. Hoffentlich wird die Zukunft ohne Hass und Kriege Sein.’ Van de familie Prins overleefden uiteindelijk Abraham en Rachel en hun dochter. Nathan, Sybille en hun zoon en dochter, alsook Sara en Frederika.
Hier herdacht Betje Prins-Mok 1884 – 1942 Joseph Prins 1884 – 1942 Elisabeth Prins 1914 – 1943 Klaartje Prins 1919 – 1943 Sara Prins 1919 Frederika Hoyzer-Prins 1920 Marcus Prins 1921 – 1942 Hanna Bonewit-Vos 1886 – 1942 Elias Bonewit 1877 – 1942 Frederika Bonewit 1920 – 1942 Hijman Bonewit 1914 Is een steen hier beschadigd of weg? Laat het ons weten per e-mail