Roosje Hagenaar (1880, Amsterdam) trouwde in 1910 met Michiel Zegerius (1885, Utrecht); ze woonden in Utrecht en later Haarlem. Roosje, mogelijk onderwijzeres, en Michiel, voddensorteerder, hadden geen kinderen maar voedden Jacob Groen op, een ver familielid geboren in 1916. In 1919 werd zijn naam veranderd in Gerrit Zegerius, en hij groeide op als hun pleegzoon, die Michiel "vader" noemde. Gerrit werkte als vlechtwerkwever. Zijn moeder Klaartje en halfzus Esther werden later vermoord in Auschwitz. Op 25 augustus 1942 werden Roosje, Michiel en Gerrit gearresteerd in Haarlem, gedeporteerd via Westerbork en vermoord in Auschwitz. Gerrit werd waarschijnlijk geselecteerd voor dwangarbeid tijdens de Cosel-transporten, maar overleefde dit niet. Roosje's broer David en zijn familie kwamen ook om in de Shoah.