Kloosterstraat 5 Heythuysen
Jacob Berkhout werd op 28 augustus 1904 geboren in Culemborg. Vanwege het beroep van vader Berkhout als “Klerk der Posterijen en Telegraphie” verhuisde het gezin regelmatig naar gelang vader Berkhout promotie maakte binnen de posterijen. Het werk bracht het gezin en hun zeven kinderen onder andere in Den Haag, Amsterdam en Asten, waar hij directeur van het Postkantoor was. Jacob Berkhout huwde in oktober 1934 met Johanna van den Muijsenberg. Het echtpaar woonde op de Kloosterstraat 203a te Heythuysen. Jacob was in Heythuysen werkzaam als zelfstandig elektromonteur.
De zus van Jacob Berkhout, Marie Berkhout was tijdens de Tweede Wereldoorlog werkzaam op de linnenkamer van de Koninklijke Nederlandse Stoomboot Maatschappij te Amsterdam. Haar Joodse collega Elisabeth Prijs-Elsas moeder van drie kinderen, was in die tijd in verwachting van haar vierde kind. Marie Berkhout hielp haar regelmatig illegaal aan bonnen, nodig om haarzelf en haar kinderen te voeden. Haar man, Joseph Prijs was al eerder ondergedoken.
Vanwege de toenemende en beklemmende anti Joodse maatregelen door de Duitse bezetters ging de familie Prijs in 1942 op zoek naar onderduikadressen voor de kinderen. Via zus Marie Berkhout kwam dochter Carla “Keetje” Prijs in Heythuysen terecht bij het gezin van Jacob Berkhout. Later volgde ook moeder Elisabeth Prijs met baby Simon Prijs. Broer Philip Prijs werd ondergebracht bij de moeder van Johanna Berkhout in Amsterdam en zus Klara Prijs op de boerderij van de familie Brouwers in Neer.
Elisabeth Prijs en haar twee kinderen voelden zich veilig bij de familie Berkhout en werden behandeld als leden van de familie. Ze hoefden niet te betalen voor hun verblijf. Wel moesten ze, voor hun eigen veiligheid, binnen blijven. Voor noodgevallen werd er door de handige Jacob Berkhout een schuilkamer ingericht achter een valse wand. Voor het levensonderhoud en de benodigde distributiebonnen was Jacob Berkhout afhankelijk van zijn bronnen bij het verzet in Amsterdam en Heythuysen.
Op zaterdagmorgen 10 juni 1944 ging het gruwelijk mis. Vier Nederlandse rechercheurs van het Bureau Joodse Zaken uit Amsterdam, kwamen naar Heythuysen. De rechercheurs hadden door verraad de namen van de Joodse onderduikers en de twee adressen waar deze in Heythuysen waren ondergebracht verkregen.
Eerst gingen de Jodenjagers naar de Kloosterstraat. Ad Berkhout zou de volgende dag 3 jaar worden en de familie was druk bezig met de voorbereidingen voor zijn verjaardag. Tijdens de huiszoeking wisten Elisabeth en Carla Prijs zich te verstoppen in de geheime kamer. Baby Simon lag echter nog in zijn bedje. Johanna Berkhout probeerde tijdens deze chaotische momenten de Jodenjagers er van te overtuigen dat Simon haar eigen baby was, maar helaas ontdekten de rechercheurs dat Simon besneden was en wisten ze daardoor dat ze beet hadden. Het huis werd grondig doorzocht. In een naoorlogs politierapport vertelt Elisabeth Prijs over hun ontdekking; “Enkele ogenblikken daarna hoorde ik vanuit onze schuilplaats voetstappen naar boven komen. Daarna hoorde ik,
dat er op verschillende plaatsen tegen de muur werd aangetrapt, waarin zich de ingang van onze schuilplaats bevond. Plotseling bezweek het deurtje en zag ik een persoon met een pistool die riep; “kom er uit anders zal je wat anders zien”.
Ook de onderdakverlener Berkhout werd gearresteerd. Hij kreeg een aanbod van de Jodenjagers: in ruil voor andere adressen waar Joden waren ondergedoken zou hij niet worden gearresteerd. Jacob weigerde en werd meegenomen.
De 5 joodse onderduikers gingen 10 dagen later naar doorgangskamp Westerbork. Moeder Prijs-Elsas en de twee kinderen gingen 6 weken later op transport naar concentratiekamp Bergen-Belsen. Hier kwamen ze terecht in het zogenaamde “ster kamp”. Een uitwisselingskamp voor joden die de Duitse overheid wou ruilen voor Duitse burgers op Geallieerd gebied. Ze mochten hun eigen kleding dragen, met daarop de gele ster van David. Ze hadden het licht beter dan hun lotgenoten in het gewone kamp maar moesten ook deelnemen aan gedwongen arbeid. Op 10 april 1945 werd het kamp per trein naar concentratiekamp Theresienstadt geëvacueerd in verband met het dichterbij komen van de Geallieerde legers. De trein werd op 23 april 1945 door Sovjet troepen onderschept bij de Duitse plaats Tröbitz. De familie Prijs overleefde de oorlog.
Jacob Berkhout werd op 6 juli 1944 overgebracht naar blok 19 van concentratiekamp Vught. Vanwege zijn kennis van elektrotechniek werd hij tewerkgesteld bij het “Philips Kommando”. Van februari 1943 tot de zomer van 1944 had het elektronicaconcern Philips in het concentratiekamp Vught een werkplaats waar gevangenen scheerapparaten, knijpkatten en andere artikelen fabriceerden. Op 6 september 1944 werd hij gedeporteerd naar concentratiekamp Sachsenhausen. Hier verbleef hij tot 1 oktober 1944 waarna hij eerst te werk werd gesteld bij de Heinkel
vliegtuigfabrieken en later bij de Arado vliegtuigfabrieken. Hij is daar medio oktober 1944 nog gesignaleerd, waarna hij naar concentratiekamp Neuengamme werd getransporteerd. Op 2 mei 1945 is Jacob volgens getuigenverklaringen bij het Nederlandse Rode Kruis bij de bevrijding van subkamp Malchow nog gezien. Hij is toen door de Russen in een ziekenhuis opgenomen. Zijn overlijden is door het Rode Kruis vastgesteld, kenmerkend voor de chaotische situatie op dat moment, op “Niet eerder dan 3 mei 1945 en uiterlijk 31 mei 1945”.
Hier herdacht Jacob Hermanus Berkhout 1904 – 1945 Is een steen hier beschadigd of weg? Laat het ons weten per e-mail