Westeinde 95 Leidschendam-Voorburg
Liepman Alexander Vos was in 1907 getrouwd met Martha Rudelsheim, die in 1881 in Amsterdam was geboren en vóór 1921 is overleden. Uit dit huwelijk is in 1908 een zoon, Alfred, geboren. Deze is in 1944 in Auschwitz vermoord.
Liepman Alexander was handelsagent. Na het overlijden van zijn vrouw Martha hertrouwde hij in 1921 met de in Berlijn geboren en veel jongere Rosalie Friedländer, maar scheidde vier jaar later, in 1925 van haar. Kennelijk woonde het paar in de oorlogsjaren (weer) bij elkaar. Als adres in april 1942 meldt Joodsmonument.nl voor beiden Noordeinde 119a Den Haag. In Westerbork geven zij echter aan dat hun laatste woonadres was: Westeinde 95, Voorburg. In de laatste fase van hun leven waren zij pensiongasten bij de familie Weijl, die op dat adres pension hield. Het echtpaar zal eerder door de Duitse bezetter verdreven zijn uit het centrum van Den Haag.
Liepman Alexander Vos staat bij de Stichting Sjoa ingeschreven met een nog niet uitgekeerde levensverzekering. Ook hier wordt als zijn woonplaats Voorburg genoemd.
Joseph Weijl was bij zijn trouwen broodbakker. Hij trouwde op 3 maart 1914 met Sara Anna Blitz, dochter van een slager. Zij kregen twee kinderen, Hanna en Clara.
Later wordt als beroep van Joseph ‘waard‘ genoemd en dat van Sara ‘pensionhoudster’. Zij zullen eind dertiger jaren van de vorige eeuw, tot in de oorlog, een pension gedreven hebben. Zij bewoonden een pand, Westeinde 95, met meer dan 12 kamers, waar in de eerste oorlogsjaren een stuk of 10 bedden stonden.
Enkele Holocaustslachtoffers die oorspronkelijk niet in Voorburg woonden, geven in het doorgangskamp Westerbork aan dat zij op hetzelfde adres woonden als het gezin Weijl. Ook is hun overlijdensakte opgemaakt in Voorburg, hetgeen impliceert dat zij officieel in het bevolkingsregister van Voorburg stonden ingeschreven. Waarschijnlijk waren zij in de laatste fase van hun leven ‘in pension’ bij de familie Weijl.
Marie Blitz was een ongetrouwde zus van Sara Anna. Zij woonde al sinds 1929 op het adres Westeinde 95, waar zij wellicht meehielp in het pension-bedrijf.
Dochter Hanna Weijl was de eerste van het gezin die is omgebracht. Op haar registratiekaart staan de letters ‘o A’ vermeld. Waarschijnlijk betekent dit ‘ohne Aufruf’, ofwel ‘zonder oproep’. Zou de 27-jarige Hanna zichzelf hebben aangemeld? De eerste trein naar Auschwitz was net een maand eerder vanuit Westerbork vertrokken. Op 23 augustus 1942 is Hanna in Westerbork aangekomen en een dag later is ook zij op de trein naar het vernietigingskamp Auschwitz gezet.
De overige gezinsleden, vader Joseph, moeder Sara, zus Marie en dochter Clara zijn op 19 februari 1943 naar Westerbork vervoerd. Niet alleen het gezin Weijl, maar ook hun pensiongasten, het echtpaar Vos-Friedländer en de bejaarde Edelina Wessel-Redlich, en daarnaast de familie Davidson van de Weverslaan 37 maakten deel uit van dit transport. De meesten van hen vertrokken op 23 februari 1943 met de laatste ‘reguliere’ trein van Westerbork naar Auschwitz. Daarna werd Sobibor gedurende enkele maanden de hoofdbestemming voor de treinen vanuit Westerbork. Eind augustus 1943 werden de transporten naar Auschwitz weer hervat.
Nadat het hele gezin was vermoord, is hun huis onteigend door de Duitse bezetter. Hun pensiongasten waren inmiddels ook al vermoord, in Auschwitz en Sobibór.
Edelina Redlich was weduwe van Nathan Wessel, winkelier in meubelen en bedden. Nathan is in 1923 is overleden. Het echtpaar had zeker vier kinderen.
Edelina woonde tot het begin van de oorlog in Rijswijk, Dahliastraat 5. Zij woonde daar in bij haar oudste dochter, Sara de Beer-Wessel, echtgenote van Abraham de Beer. Sara is in november 1942 omgebracht in Auschwitz, Abraham de Beer heeft de oorlog overleefd.
Op enig moment – wellicht na, en vanwege de deportatie van haar dochter Sara - is Edelina in Voorburg ingetrokken bij haar jongere dochter Elisabeth Wessel met haar man Mozes de Beer. Zij woonden in de Den Burghstraat 30, Voorburg. De Oorlogsgravenstichting noemt dit als het laatst bekende adres van Edelina.
Anders dan hun moeder/schoonmoeder Edelina Wessel-Redlich hebben Elisabeth en Mozes de Beer-Wessel de oorlog ruim overleefd, zij het niet in het huis in de Den Burghstraat 30, want dit pand is eind 1942/begin 1943 door de bezetter onteigend. Edelina zal na het gedwongen vertrek uit de Den Burghstraat een kamer hebben betrokken in het pension van de familie Weijl op het Westeinde 95. Kort hierna is zij op 19 februari 1943 naar Westerbork gebracht, drie maanden na haar dochter Sara. De registratiekaart in Westerbork geeft als laatste adres aan: Westeinde 95.
De registratiekaart vermeldt ook dat Edelina voorkomt op een lijst met familieleden van personen die vanwege het feit dat ze een ‘verdienstelijk Joods Nederlander’ zijn, vrijgesteld zouden moeten worden van deportatie (lijst-Frederiks en lijst-van Dam). Wellicht is dit de reden dat zij ruim een half jaar in barak 73 in Westerbork heeft kunnen verblijven, voordat zij op 14 september 1943 naar Auschwitz is gestuurd, waar zij direct na aankomst is vergast. Zij is 85 geworden.
Hier herdacht Marie Blitz 1896 – 1943 Rosalie Vos-Friedländer 1895 – 1943 Liepman Alexander Vos 1878 – 1943 Joseph Weijl 1889 – 1943 Sara Anna Weijl-Blitz 1894 – 1943 Hanna Weijl 1915 – 1942 Clara Weijl 1926 – 1943 Edelina Wessel-Redlich 1857 – 1943 Is een steen hier beschadigd of weg? Laat het ons weten per e-mail