Hendrik van Enck, een 50-jarige Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij werd geboren in 1894, werkte als conducteur bij de Nederlandse Spoorwegen en raakte betrokken bij verzetsactiviteiten. Zijn leven veranderde drastisch na de spoorwegstaking van 17 september 1944, die was uitgeroepen om Operatie Market Garden te ondersteunen door het Duitse troepentransport te verstoren.
De staking had grote gevolgen: hoewel bedoeld om de Duitse oorlogsinspanningen te verzwakken, slaagde ze er niet in de troepenbewegingen te stoppen, aangezien de Duitsers Nederlandse spoorwegarbeiders vervingen door eigen personeel. Als gevolg daarvan werden ongeveer 30.000 Nederlandse spoorwegmedewerkers, waaronder Hendrik, gedwongen onder te duiken omdat ze het risico liepen te worden gedeporteerd voor dwangarbeid.
Hendrik vond een schuilplaats in Joppe, vlakbij een boerderij die al verdacht werd van het onderdak bieden aan verzetsleden. Op 14 oktober 1944 voerden Duitse troepen en collaborateurs een inval uit op de boerderij. Hendrik wist aanvankelijk te ontsnappen naar de nabijgelegen bossen, maar werd later opgepakt en overgebracht naar een berucht detentiecentrum in Deventer, dat bekend stond om zijn wreedheid.
In de gevangenis waren de omstandigheden extreem zwaar en werden gevangenen onderworpen aan zware martelingen door de Sicherheitsdienst (SD). Hendrik deelde een cel met twee andere gevangenen die erin slaagden te ontsnappen. Ondanks hun pogingen om hem over te halen, koos Hendrik ervoor niet mee te doen aan hun ontsnappingspoging en bleef hij achter.
Tijdens het verhoor werd Hendrik op brute wijze geslagen en gemarteld. Andere gevangenen verklaarden zijn geschreeuw en het geluid van herhaalde slagen te hebben gehoord. Omdat hij het lijden niet langer kon verdragen, deed hij een zelfmoordpoging door zijn keel door te snijden met een scheermesje. Uiteindelijk stierf hij op 1 november 1944 aan zijn verwondingen. Zijn lichaam werd verborgen en is nooit teruggevonden.
Na de oorlog werd Hendrik van Enck herdacht met een gedenkplaat op het station van Gorssel, die later naar Zutphen werd verplaatst. Het document benadrukt het belang van het herdenken van zijn offer en het in ere houden van de nagedachtenis van degenen die zich tegen onderdrukking verzetten.