Wilhelmus werd geboren op 16 februari 1902 in Nederweert en woonde in Someren, waar hij werkte als voorman. Tijdens de Duitse bezetting was hij actief in het verzet als lid van de plaatselijke afdeling van de Landelijke Organisatie en de Landelijke Knokploegen. Op 17 juni 1944 werd hij hiervoor in zijn woonplaats gearresteerd door de Sicherheitsdienst en gevangen gezet in Kamp Vught en in het Huis van Bewaring in 's-Hertogenbosch. Vanuit 's-Hertogenbosch werd Wilhelmus via Kamp Amersfoort naar Duitsland gedeporteerd, waar hij op 14 oktober aankwam in het concentratiekamp Neuengamme bij Hamburg. Vanuit Neuengamme werd hij als dwangarbeider overgebracht naar het satellietkamp Meppen-Versen bij de Nederlandse grens. Hier werkten de gevangenen onder erbarmelijke omstandigheden in steenfabrieken, kleiputten en turfvelden. Meer dan 250 gevangenen stierven door ziekte en uitputting als gevolg van mishandeling, onvoldoende voedsel en gebrek aan medische zorg. Toen de Geallieerde troepen naderden (het kamp zou worden bevrijd door de Polen), werden de overlevenden geëvacueerd naar Neuengamme. Wilhelmus was één van de gevangenen die in het kamp bezweek. Hij stierf op 6 februari 1945, 42 jaar oud.