Diezerenk 23 Zwolle
Met deze struikelstenen herdenken we Salomon Stibbe, zijn vrouw Klothilde Seligmann en hun dochter Julia. Moeder en dochter worden vermoord in de gaskamers van Auschwitz-Birkenau op 12 oktober 1942. Klothilde is dan 54 jaar oud, Julia 24. Salomon sterft twee dagen later in Auschwitz, 56 jaar oud.**
Salomon Stibbe ziet het levenslicht in Zwolle op 9 oktober 1886. Hij trouwt met Klothilde Seligmann (Dierdorf 1887), die zich op 2 mei 1914 vanuit Essen vestigt aan de Diezerenk 31 (nu ter hoogte van nummer 23). Op 17 februari 1915 wordt dochter Sara geboren, op 20 februari 1918 gevolgd door Julia. Sara overlijdt op 13 april 1933.
Salomon verdient de kost als koopman in wild en gevogelte. Julia drijft vanuit huis een kleine handel in linnengoed en verzorgt haar moeder die aan tuberculose lijdt.
Tientallen Joodse mannen uit Zwolle zijn in de zomer van ’42 gedwongen tewerk gesteld in kampen in Overijssel en Friesland. Salomon komt terecht in Heerenveen. Op 2 oktober 1942 zijn alle mannen overgebracht naar het doorgangskamp Westerbork. Partners en kinderen worden onder het voorwendsel van gezinshereniging op vrijdag 2 oktober in het gymnasium Celeanum aan de Veerallee samengebracht en de volgende dag via het veestation naar Westerbork gedeporteerd.
Nicht Sippora Stibbe (1931)herinnert zich over het vertrek van haar tante en nichtje: “In de vooravond kwam er een politieagent aan onze deur (in de Papenstraat) om te zeggen dat tante Gussel (Klothilde) en nicht Joela (Julia) die avond zouden worden 'opgehaald'. Oom Sam woonde al niet meer thuis, maar zat in een werkkamp. De agent zei nog dat ze herenigd zouden worden met hun man en vader in het gymnasium aan de Veerallee. Hij had ons dat beslist niet mogen vertellen, maar deed het toch.
Moeder besloot er naar toe te gaan, vader kon niet mee, want hij mocht als sterdrager na acht uur niet meer op straat komen. Riekie en ik – de twee jongste meisjes van 11 en 14 – waren op dat moment thuis en opeens bang om alleen met vader achter te blijven. Wij wilden met moeder mee, want stel je voor dat ze ook vader zouden komen halen als moeder er niet was.
De agent die op Diezerenk 31 de deur open deed, wilde ons niet binnen laten, maar moeder zei: “We zijn familie en we komen afscheid nemen”. Ondertussen doken wij onder de arm van de agent door naar binnen in het propere kleine huis met de blinkend gepoetste meubeltjes en koperen snuisterijen, de door tante zelf geborduurde kleedjes, verspreid over het dressoir en stoelleuningen. Alles zo netjes aan de kant.
Tante Gussel en haar dochter Joela liepen af en aan met armen vol kleding om in een kleine rieten koffer te stoppen. Op tafel stond ook nog een grote rugzak met de naam van Joela in grote witte blokletters. “Geef tante maar wat linnengoed mee”, zei Joela, die zag dat ze lang niet alles mee konden nemen wat op de voorgeschreven lijsten stond. “Dat kan ik niet toestaan”, zei de jonge agent. “Wij zijn familie”, zei moeder en legde de stapel linnengoed op de uitgestrekte armen van Riekie. Ook ik kreeg allerlei kledingstukken te dragen.
Daar kwam tante aanlopen met een kommetje: “Nehme es, Marthe”, zei ze tegen moeder “ist gut vet”. Tante's Nederlands was slecht, hoewel ze al meer dan vijfentwintig jaar in Nederland woonde. Er was geen noodzaak geweest om het goed te leren; haar man en dochter deden de boodschappen en de dokter kwam zo nu en dan langs. Tante kwam alleen buiten om naar sjoel te gaan en dan nog alleen als het goed weer was, in verband met haar gezondheid. Moeder nam het aan, maar we wisten dat ze het thuis zou wegdoen, omdat tante die ziekte had.
Moeder zei tegen Joela: “Je moet kousen meenemen, die kun je overal voor gebruiken: om je nek, om je hoofd, om iets vast te binden en gewoon als kousen”. Moeder, die helemaal niet zo praktisch was, wist ineens wat je allemaal nodig kon hebben als je zo'n schemertocht ging maken.
“Kunnen we wat nasturen?”, vroeg moeder. De jonge agent haalde zijn schouders op “ik weet het niet”, zei hij. Al die tijd zat hij op een stoel aan tafel voor zich uit te kijken. We moesten voor de agent uit het huis verlaten. In een snelle greep pakte tante Gussel een platte tinnen fruitschaal van haar blinkende dressoirtje en legde die boven op mijn met kleren gevulde armen, “Bewahre fur mich”, zei ze met haar hese, kapot gehoeste stem.
De agent sloot de voordeur af met de sleutel die tante Gussel hem had moeten geven. “Nu jullie snel die kant op”, wees hij ons gebiedend naar links. We gingen. Hij verdween met zijn vangst naar rechts. De volgende dag gingen Annie en Bennie met wat van de kleren en etenswaren naar het gymnasium in de Veerallee. Maar ze kwamen niet verder dan de voordeur. Er mocht niemand in of uit. Uit Westerbork ontvingen we nog een briefkaart van Joela, Ze schreef: “We zijn hier zaterdag aangekomen. Hartelijke groeten”. Tot zover de herinneringen van Sippora Stibbe.
Op 9 oktober gaan Salomon, Klothilde en Julia op transport naar Auschwitz samen met 1700 anderen. Slechts vier mannen zullen het kamp overleven.
Sippora Stibbe, Hoe zorgeloos is de kindertijd. Jeugdherinneringen van een halfjoods meisje in oorlogstijd (Groningen 1994), p. 92-97.
Hier herdacht Klothilde Stibbe-Seligmann 1887 – 1942 Salomon Stibbe 1886 – 1942 Julia Stibbe 1918 – 1942 Is een steen hier beschadigd of weg? Laat het ons weten per e-mail