Waterstraat 45 Zwolle
Waterstraat 45 is thans bekend als Krabbestraat 3.
**Met deze struikelstenen herdenken we het gezin Kropveld-van Gelder bestaande uit vader Samuel, moeder Judith en hun dochters Esther, Sophia, Carolina en Jacoba. De kinderen sterven samen met hun moeder op 26 oktober 1942 in de gaskamers van Auschwitz-Birkenau. Esther is dan 21 jaar oud, Sophia 18, Carolina 16, Jacoba 11 en Judith 51. Samuel sterft in op 53-jarige leeftijd in het kamp Ludwigsdorf op 4 maart 1943**.
Samuel Kropveld is geboren in Vlagtwedde. Op 2 februari 1921 trouwt hij in Amsterdam Judith van Gelder. Met dochter Esther vestigen zij zich in oktober 1923 vanuit Heerde in Zwolle. Hier zien de andere kinderen het levenslicht. Sinds 1937 woont het gezin in de Waterstraat 45. Hun huis stond ter hoogte van de huidige Krabbestraat 3-5.
Over hun leven weten wij weinig. Zoals zo veel Joodse Zwollenaren zijn zij van de aardbodem weggevaagd zonder dat er veel sporen van hen zijn achtergebleven. Gelukkig is er nog een ooggetuige. Sippora Stibbe, in 1931 geboren in de Zwolse Papenstraat, legde haar jeugdherinneringen vast in het boek: Hoe zorgeloos is de kindertijd. Jeugdherinneringen van een halfjoods meisje in oorlogstijd. Zij herinnert zich over de Kropvelds:
“Ze woonden in de Waterstraat, vader, moeder en 4 dochters. Ze bewoonden een heel klein huis, want het waren arme mensen. Vader Samuel liep met galanterieën. Dat zal niet veel meer zijn geweest dan een koffer voorop de bagagedrager van een fiets met daarin de zogenaamde galanterieën, zoals kammen, spiegeltjes, scheerzeep, scheerkwasten en andere benodigdheden voor een huishouding.
Mijn twee oudste zusters waren bevriend met de drie oudste meisjes, ze kenden hen van het naaiatelier Tepe, waar arme Zwolse meisjes vaak hun werkzame bestaan begonnen. Ze spraken over stukgoed, dat weet ik nog, en legden aan mij uit dat hoe meer kraagjes je op een dag kon 'verwerken', des te meer je verdiende.
Het echtpaar Kropveld verschilde van elkaar als dag en nacht. Mevrouw Kropveld had een wat lang gezicht met sombere uitdrukking en verwaaide slordige haren. Armoedig gekleed, met altijd aan haar rokken hangend de jongste verwende dochter Coba, die iedere dag naar en van school werd gebracht. Ze was van mijn leeftijd en zat in de vijfde klas van de Joodse lagere school. Samuel, de vader van het gezin, zag er altijd piekfijn uit, glimmend gepoetste schoenen, een lefdoekje in het borstzakje van zijn colbertje, trots rondstappend, zo herinner ik me hem.
De meisjes waren heel knap, vooral Esther, de oudste, die als naaister in een confectiefabriek werkte. Zij was de knapste en liet zich Hetty noemen. Na Esther kwam Sophia, ze werkte als naaister in een lederwarenfabriek en Carolina, zij was dienstmeisje. Ze werkten alle drie, net als mijn oudste twee zusters, en leefden hun levens waar ik me nog niet druk om behoefde te maken.”
Tot zover de herinneringen van Sippora Stibbe.
Volgende sporen leiden naar het doorgangskamp Westerbork waar de binnenkomst van de Kropvelds tussen 3 en 5 oktober 1942 wordt geregistreerd. Samuel komt dan uit een Nederlands werkkamp voor Joodse mannen. Onbekend is welk kamp. Tientallen Joodse mannen uit Zwolle zijn in de zomer van ’42 gedwongen tewerk gesteld in kampen van de voormalige Nederlandse werkverschaffing in Overijssel en Friesland. Begin oktober 1942 zijn al deze mannen rechtstreeks vanuit de werkkampen gedeporteerd naar Westerbork. Hun partners en kinderen zijn onder het voorwendsel van gezinshereniging op 2 oktober in de gymnastiekzaal van het gymnasium Celeanum aan de Veerallee samengebracht en de volgende dag – op de Joodse rustdag, Sjabbath -via het Zwolse veestation naar Westerbork gedeporteerd. Onder hen ook Judith met haar dochters in de hoop Samuel weer terug te zien. In Westerbork wordt het gezin inderdaad herenigd.
In hoog tempo vertrekken in de weken daarna vanuit Westerbork transporten naar het Oosten, naar Auschwitz, al is die bestemming bij vertrek onbekend. De Kropvelds worden op vrijdag 23 oktober met transport 30 naar Auschwitz gedeporteerd. De trein telt 988 personen van wie 167 kinderen. Op 25 oktober arriveert de trein in de hel op aarde, Auschwitz-Birkenau. Aangenomen wordt dat Judith en haar dochters onmiddellijk na aankomst in de gaskamers van Birkenau zijn omgebracht.
Het lot van Samuel was anders. Naast de gaskamers was vernietiging door arbeid een tweede moordmethode van de nazi’s. Joodse mannen en vrouwen werden gedwongen zwaar werk te verrichten, tegen een minimum aan voeding, rust en verzorging. Zij stierven dan door mishandeling, honger, uitputting of besmettelijke ziekten of werden alsnog doorgestuurd naar de gaskamer.
In de tweede helft van 1942 stoppen 39 deportatietreinen uit Westerbork, Mechelen ( België) en Drancy (Frankrijk) op het goederenstationnetje van Cosel, ongeveer 80 kilometer ten westen van Auschwitz. Hier zijn 9.000 mannen in de leeftijd van 16-50 jaar met geweld uit de treinen gehaald om te werken in een van de tientallen dwangarbeiderskampen in Silezië. Samuel Kropveld is met 169 anderen van zijn transport in Cosel uit de trein gehaald. Uiteindelijk zullen slechts 14 van hen de oorlog overleven. “De trein stopte in Cosel. Dat was daar iets vreselijks. Hier hield het menselijke op. Wij, de mannen tot 50 jaar, moesten allemaal op onze hurken gaan zitten. Toen de trein was weggereden, werden wij als beesten op vrachtwagens geladen,” zo beschreef Abraham Spiero zijn aankomst in Cosel een week eerder. Vrouwen en kinderen verdwenen met de trein, een onbekend lot tegemoet. Gelegenheid afscheid van elkaar te nemen was er niet.
Over de helletocht van Samuel door de werkkampen is weinig bekend. Hij zal eerst naar een van de nabije selectiekampen Sakrau of Sankt Annaberg zijn gegaan. Uiteindelijk komt hij in Ludwigsdorf terecht, een buitenkamp van het concentratiekamp Gross-Rosen. Ludwigsdorf is in maart 1943 in gebruik genomen als munitiefabriek. Er werken voornamelijk Joodse vrouwen. Het Rode Kruis heeft vastgesteld dat Samuel daar op 4 maart 1943 is overleden.
Als zo velen hebben ook de Kropvelds geen graf. De as van Judith en haar vier dochters rust onder een weiland achter het kamp Auschwitz-Birkenau. De laatste rustplaats van Samuel is onbekend. De Stolpersteine houden de herinnering aan hen levend. Zij krijgen daarmee weer een plaats in ons midden.
Hier herdacht Samuel Kropveld 1889 – 1943 Sophia Kropveld 1923 – 1942 Carolina Kropveld 1925 – 1942 Judith Kropveld-van Gelder 1891 – 1942 Esther Kropveld 1921 – 1942 Jacoba Kropveld 1931 – 1942 Is een steen hier beschadigd of weg? Laat het ons weten per e-mail