Isaac (1876–1942), Jacob (1877–1942), Anna (1883–1942) en Leentje Bondt (1898–1942) waren vier ongetrouwde broers en zussen die na de dood van hun ouders samen bleven wonen.
Hun vader, Joseph Bondt, was kapper geweest. Hij stierf in 1907. De oudste zoon, Abraham (geboren in 1874), woonde sinds 1899 in Londen. Volgens het militaire register was hij muzikant. Zijn jongere broer Andries (Andrew) volgde hem daar in 1902. Andrew trouwde in 1915 met zijn nicht Anna Bondt; hun dochter Bertha stierf in 1935.
Hun moeder, Rachel Bondt-van Praag, stierf in 1938 op 86-jarige leeftijd. Vanuit Londen plaatste Abraham, als oudste zoon, de overlijdensadvertentie in Nederland.
Vader Joseph en moeder Rachel liggen begraven in Muiderberg.
Leentje, de jongste van de Bondt-kinderen, werkte dicht bij huis: ze was schoonmaakster in de Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge, die nu deel uitmaakt van het museum. Haar broer Isaac was diamantslijper. Anna werkte als winkelbediende. Jacob was portier.
De broers en zussen Bondt werden op 10 september 1942 gearresteerd, net als hun buren Sara Vos en Betje Bloch, en na één nacht in Westerbork met het 18e transport naar Auschwitz gedeporteerd. Daar werden ze op 14 september vermoord.
Abraham stierf in 1950 in Londen. Andries/Andrew stierf in 1966. Ze lieten geen nakomelingen na.