Jan Bertsstraat 14 Diemen
Samuel Roten berg en zijn vrouw Chaja Ester Rotenberg-Schlomovicz woonden in 1942 met hun zoontje Saul in de Jan Bertsstraat 14 op 1 hoog. Eerder had het gezin in dezelfde straat op nummer 29 gewoond. Samuel was geboren in Lwow (1906) en Chaja in Kamionka in 1907.
De familie Rotenberg was in 1942 buren van de familie Renema. Vader Gerrit Ren erna hielp zijn buren wel eens op sabbat. Samuel was een vriendelijke, hardwerkende marktkoopman met een standplaats
op Vlooienburg in de Amsterdamse Jodenbuurt.
Zoontje Saul, een serieus ventje met donkere kijkers en zwart haar, ging elke dag aan de hand van zijn moeder naar de christelijke kleuterschool aan de Ouderkerkerlaan. Op een dag was de familie Roten berg verdwenen. Ria Niempoort, die bevriend ·was met Saultje, miste hem in het voorjaar van 1942 in de klas. De juf verzon een smoesje, maar Ria kende de verhalen over de Jodenvervolging van thuis. Vader Nieuwpoort werkte bij het distributiekantoor en kon in die functie af en toe wat bonnen verduisteren voor onderduikers.54 Het gezin Rotenberg bleek na het verplichte vertrek uit Diemen op 5 juni 1942 naar de Holendrechtstraat 41 in Amsterdam-Zuid te zijn verhuisd. Daar werd het gezin in april 1943 van huis gehaald en op 20 april 1943 via de Hollandsche Schouwburg naar Konzentrationslager 1-lerzogenbusch gebracht, beter bekend onder de naam Kamp Vught. Omnia Treuhand liet bij de liquidatie van de kleine eenmanszaak van Samuel Rotenberg weten dat er niets te halen viel bij Rotenberg. Niet in Diemen en niet in Amsterdam.
Uit het in Vught bijgehouden oorlogsdagboek van Klaartje de Zwarte-Walvisch krijgen we een beeld van de omstandigheden in Vught ten tijde van het verblijf van de familie Roten berg.
ij aankomst in het kamp werden de mannen van de vrouwen en kinderen gescheiden. Vader Salomon moest vrijwel zeker dwangarbeid verrichten aan de Moerdijk zoals de meeste joodse mannen in Vught. De 6-jarige Saultje werd ondergebracht in de barak van de kinderen van 6 tot 8 jaar. De kinderbarakken bevonden zich ver weg van de vrouwenbarakken. Moeder Chaja werd als naaister aan het werk gezet en kon alleen af en toe een glimp opvangen van Saul. Op zondagmiddag mochten ouders en kinderen een paar uurtjes bij elkaar op bezoek.
De kinderen misten niet alleen hun ouders, maar werden ook bang gemaakt door de Aufseherinnen met hun geschreeuw en de SS-ers met hun honden. Soms moest een kind toezien hoe zijn vader kruipend door het kamp door SS-ers werd getrapt en geslagen.
Veel kinderen waren ondervoed en in een slechte conditie. Als de Aufseherinnen hun geduld verloren, schreeuwden en vloekten ze waarbij ze ook schopten en sloegen.
Klaartje de Zwarte-Walvisch noteerde op 6 juni 1943 in haar oorlogsdagboek over de tragedie die ook Saultje Rotenberg en zijn familie raakte: "Het ergste wat er tot nu toe gebeurd is, is ons meegedeeld. Gisteravond werd ons medegedeeld dat bet kinderkamp wordt opgeheven. Alle kinderen jonger dan zestien jaar moeten het kamp verlaten. Het was werkelijk niet meer te bevatten.
( ... )Mannen moesten hun vrouwen laten vertrekken met ziekelijke kindertjes. We waren radeloos van verdriet. Daarbij kwam nog dat alle mannen die werkzaam waren aan de Moerdijk, geen afscheid van hun vrouw en kinderen mochten nemen. Ik liep de barak uit en vvilde een goede vriendin van mij opzoeken. Op weg naar het kinderkarnp zag ik vreselijke tonelen. Vrouwen gilden van angst en ontzetting. Ze schreeuwden als bezetenen en wisten waarlijk niet meer wat ze zeiden. In het kinderkamp was het een hel. Een ontzettende stank kwam me tegemoet en ik had moeite niet te braken. Kleine kindertjes kropen door het zand en huilden, om medelijden te krijgen. Wat een ellende. Mannen lagen voorover op tafel en snikten het uit. Snikten als kleine kinderen omdat ze zo machteloos waren tegen dat wat hen werd aangedaan. Overal waar ik ging niets anders dan huilende vrouwen en mannen. (. .. ) Een vader wilde zijn kind de keel dichtdrukken omdat hij geen afstand hiervan wilde doen. Liever bracht hij het zelf om het leven dan dat hij het in onbekende handen gaf. Gelukkig werd zijn plan verijdeld. Van een vrouw hoorde ik dat zij zich de polsen wilde doorsnijden. ( ... ) In de barak zaten mannen en vrouwen met de armen om elkaar heen geslagen en hielden elkaar vast alsof ze nooit meer wilden scheiden. Wat een wanhoopstoestand. Veel mannen hebben geen afscheid kunnen nemen. Alleen zij die dit leed persoonlijk hebben meegemaakt, kunnen dit begrijpen. En zij die dit niet hebben meegemaakt en dit eens zullen lezen, moeten het begrijpen. ( ... )Aan het hek dat het mannen- en vrouwenkamp scheidt, stond de SS met een grote politiehond. Daarbij stonden de twee leidsters. Wij mochten mee tot aan het hek om de bagage te helpen dragen. Bij het hek speelden zich weer vreselijke tonelen af van familieleden die afscheid van elkaar namen. Buten het hek stonden zij die ons dit aandeden hartelijk te lachen."
Chaja Esther Rotenberg en haar Saultje werden op 7 juni 1943 naar Westerbork gebracht waar zij ruim drie weken veibleven. Op 29 juni 1943 werden zij gedeporteerd naar Sobibor waar zij na aankomst op 2 juli 1943 werden vergast. Vader Samuel ging op 21 september 1943 op transport. Hij vond de dood op 21 januari 1944 in Auschwitz.
Op 16 februari 1944 voerde ene drs. Jansen de kleine eenmanszaak van Samuel Rotenberg af uit de administratie van de Centrale Cartotheek der Detailhandel Ambacht.
Hoewel het gezin Rotenberg in Polen al vermoord was door de nazi's, tekende de Verwalter S.J. Gorter van Omnia Treuhandgesellschaft aan bij de liquidatie op 4 april 1944: "Der Jude ist mitgeteilt dass er sein Gewerbe nicht mehr ausüben darf."
De naam van Saul Rotenberg is opgenomen op het kindergedenkteken met daarop de 1269 namen van de kindertransporten in 1943 in het Nationaal Monument Kamp Vught.
Hier herdacht Samuel Rotenberg 1906 – 1945 Chaja Ester Rotenberg-Schlomovicz 1907 – 1943 Saul Rotenberg 1936 – 1943 Is een steen hier beschadigd of weg? Laat het ons weten per e-mail