Markt 15 Gennep
Op deze plaats woonde het gezin van Henri Andriesse.
Harry Andriesse,
Julchen Andriesse-Jacobsohn,
dochter Selly Andriesse,
en de vader van Julchen, Abraham Jacobsohn.
Harry trouwde in 1930 met Julchen Jakobsohn. Zij kwam oorspronkelijk uit het Zuid-Duitse Neckarbsisschofsheim, maar woonde in Dortmund toen zij met Harry trouwde. Harry zat net als zijn vader en broers in de veehandel en hield ook zelf vee. Julchen opende in 1933 in het pand waar zij woonden, Markt 14, op de hoek van de Niersstraat een modezaak.
In 1932 werd hun dochter Selly geboren en in 1937 een tweede meisje, Hannelore,, maar die overleed na een maand en werd op het joodse kerkhof in Gennep
begraven. Julchen was hierdoor zo aangeslagen dat zij tegen haar buren, de familie Voss op de Markt zei: ‘Ich bin böse mit meinen Herr Gott, dass er mir dass Kind genommen hat’. In 1943 zou zij gezegd hebben:’ Jetzt bin ich froh und verstehe ich warum mein Herr Gott das getan hat’.
Op de Sobibor-website staan getuigenissen. 1 van die getuigenissen komt van (oud)Gennepenaar Toon van Kalmthout die over Selly vertelt en die het spoor van Selly, over Vught en Westerbork naar uiteindelijk Sobibor is nagegaan. Toon heeft op een steen op de "laan der vergetelheid" in Sobibor een plaquette aangebracht voor Selly.
Het gezin van Henri Andriesse verliet Gennep op 9 april 1943
Wie gingen op 9 april?
* Markt 15: **Echtpaar Harry en Jülchen Andriesse-Jakobsohn, met hun 10 jarige dochter Selly en 81 jarige schoonvader Abraham Jakobsohn.**
* Zandstraat 6 en Houtstraat 4-6: Echtpaar Max en Reina Bock-Oppenheimer en zusters Bertha en Josephina Bock.
* Zandstraat 40: Echtpaar Jöbke en Jet Kaufman-Leefsma met 12 jarige dochter Nanny.
* Spoortstraat 123: Jet van Leeuwen.
* Middelweg 32: Het echtpaar Sam en Johanna Andriesse- Jesse.
In totaal stapten dus 14 personen in de trein naar Vught, 10, 12, 45 47, 52, 52, 52, 63, 63, 64, 66, 67, 70 en 82 jaar oud. Gemiddeld 58 jaar oud.
Voordat het zover was moesten deze mensen het nodige regelen. Gebleken is dat zij veel spullen bij niet-joodse relaties en bekenden hebben ondergebracht. Die mensen werden na de oorlog ‘bewariers’ genoemd. De familie Kaufman had geld en spullen in bewaring gegeven bij slagerscollega Hein Bertisen en de vroegere dienstbode die zij in december 1941 gedwongen had moeten ontslaan, Maria Temaat.
Het vertrek naar de trein op 9 april is uitvoerig geschetst door Wiel van Dinter en er zijn unieke filmbeelden van, gemaakt door Jan Jetten, die toen op het adres Zandstraat 30 woonde. Kennelijk is dat in alle openlijkheid op straat gebeurd,schuin tegenover het huis van de familie Kaufman, Zandstraat 40. Deze opname van het vertrek van Joden uit hun huis is heel bijzonder. Ze is permanent te zien in het Verzetsmuseum in Amsterdam en werd enkele keren gebruikt in documentaires over de Jodenvervolging, soms niet in de juiste context.
We zien de zusters Bock, Bertha en Josephina zich nog eens om draaien om te zwaaien, Max en Reina Bock, die ook zwaaien, vergezeld door een dame met een fiets.
We zien het vertrek van de familie Kaufman uit het huis waar meer dan honderd jaar meerdere generaties Kaufman hadden gewoond en gewerkt. We zien hoe Jöbke Kaufman de sleutel van het huis omdraait, terwijl zijn dochter Nanny hem op de schouder klopt. Op weg naar het station zal hij die sleutel bij de politie moeten inleveren. Maar eerst zwaait de familie nog naar de filmende Jan Jetten. Ze zijn opgehaald door neef Harry
Andriesse met zijn gezin. Jacob van Tankeren vertelde dat hij toen als leerling loodgieter op de Markt bij Lei Voss, de buurman van de familie Andriesse werkte. Lei gaf hem opdracht de koffers van de familie achter op de fiets naar de trein te brengen. Vermoedde die familie dat ze die koffers bij aankomst in Vught onmiddellijk zouden moeten inleveren, voordat ze van elkaar gescheiden werden en in verschillende barakken zouden worden ondergebracht? Pierre Verhasselt, overbuurman op de hoek van de Maasstraat begeleidde de families naar de trein.
Wat deze beelden, met de kennis van nu, extra indringend maakt is dat deze mensen die zo vrolijk en dapper zwaaien naar hun stadgenoten, die niet weg hoeven, enkele uren later in een geheel andere wereld terecht zullen komen, de heksenketel van het volstromende kamp Vught, waar ze hun bagage moeten inleveren en van elkaar worden gescheiden en met onbekenden in overvolle barakken worden gepropt.
Via de Spoorstraat kwam Jet van Leeuwen bij het station en vanaf de Middelweg sloten Sam en Johanna Andriesse zich aan bij de rest van hun familie. Bij het station hadden zich nogal wat Gennepenaren verzameld. Wat waren hun gevoelens toen ze hun joodse medeburgers in de trein zagen stappen? Het verhaal gaat dat toen de trein vertrok het Genneps volkslied ‘Waar de Niers langs kronkelwegen bij een burcht de Maas ontmoet’ werd gezongen. Pierre Verhasselt is meegereisd naar Vught. Zelf zou hij de Duitse bezetting ook niet overleven. Als verzetsman werd hij bij een razzia op 26 september 1944 gearresteerd en op 12 maart 1945 is hij in Buchenwald overleden, twee weken voordat Werner Hertog daar overleed.
Op 9 april 1943 gingen de Gennepse families na de treinreis via Boxtel naar Vught met bussen naar het kamp. In de dagen van 7 tot 10 april kwamen daar ongeveer 4000 Joden aan. De bevolking steeg van 4500 naar 8681 personen, onder wie 1774 kinderen.
Kort daarna kwamen daar ook nog de overgebleven Joden bij uit de provincies Utrecht en Noord- en Zuid-Holland, behalve Amsterdam.
De aankomst in Vught moet voor de Gennepse families al meteen een schok zijn geweest. Onmiddellijk werden de gezinnen uit elkaar gehaald en moest men de bagage inleveren. Pas na enige tijd kon men daar weer over beschikken, zodat men in ieder geval van kleren en ondergoed kon wisselen.
Hadden de Gennepse Joden die op 9 april vrolijk zwaaiend naar de trein waren gelopen gedacht dat zij de rest van de oorlog, die naar het er steeds meer naar uitzag niet met een overwinning van Duitsland zou eindigen, in Vught zouden kunnen blijven, dan bleek al snel dat ze zich daarin hadden vergist. Op 5 mei 1943 ging er een geheime instructie uit van het hoofd van de SD, waarin onder andere de deportatie van 23.000 Joden in de maanden mei en juni werd gelast en bevel werd gegeven met de liquidatie van kamp Vught te beginnen. Het joodse gedeelte daarvan was door de aanvoer vanuit de provincies overbevolkt geraakt. Voor de bejaarden was geen werk en ze liepen doelloos rond.
De kleine kinderen liepen ook in de weg en er braken besmettelijke ziekten onder hen uit. Daardoor en door gebrek aan behoorlijk voedsel stierven er velen snel.
8 mei: vertrek van de bejaarden
Op zaterdag 8 mei werd, om vijf uur in de ochtend in de barakken bekend gemaakt dat die dag een transport van 1500 mensen naar elders zou vertrekken, bestaande uit bejaarden, gezinnen van meer dan drie kinderen en 211 patiënten uit het kampziekenhuis.
Tot dit transport behoorden zes van de veertien Gennepenaren: het echtpaar Max en Reina Bock, 66 en 64 jaar, de ongehuwde zusters Bertha en Josephina Bock, 67 en 63 jaar, Jet van Leeuwen, 70 jaar, **en de schoonvader van Harry Andriesse, Abraham Jakobsohn, 81 jaar oud**. In 1939 had Jülchen Andriesse haar vader na de Kristallnacht naar Gennep kunnen halen, nu moest ze alsnog van hem afscheid nemen. De 63 jarige echtgenote van Sam Andriesse hoefde niet mee naar Westerbork. ’s Middags moesten zij zich verzamelen op de appelplaats. Jonge mensen steunden de ouderen en degenen die niet konden lopen werden met een kruiwagen gebracht. Er stond een koude wind en het regende. Twee uur stonden zij daar voordat ze werden afgevoerd. De reis ging met een personentrein.
Degenen die uit Vught waren vertrokken bleven van zondag tot dinsdagochtend in Westerbork. Zij gingen mee met het eerstvolgende transport, op dinsdag 11 mei, naar Sobibor. Dit transport telde 1446 personen, van wie 180 kinderen en verder vooral zieken en bejaarden. Herman van Rens zegt over dit transport:
De Limburgers onder de reizigers waren oude veehandelaren, slagers en winkeliers, leden van families die al vele generaties in Limburg woonden en werkten. Zij spraken onder elkaar een eigen taal: Limburgs dialect vermengd met veel Jiddische woorden. Misschien zijn de laatste gesprekken in dit Limburgs-Jiddisch wel gevoerd op 14 mei 1943 tussen dorstige en dodelijk vermoeide, oude mensen, vlak voor de trein Sobibor bereikte.
De kinderen in Vught
Ook in de weken daarna gingen geregeld op zaterdag transporten met gezinnen vanuit Vught naar Westerbork, waar dan in de nacht van maandag op dinsdag bekend werd gemaakt dat ze zich gereed moesten maken voor vertrek naar het oosten. Een plaatsnaam werd niet genoemd. Een maand nadat de bejaarden en grote gezinnen uit Vught waren vertrokken vond opnieuw een grote inperking van de kampbevolking plaats. Ditmaal ging het om de kinderen die er nog waren.
Het leven voor kinderen was heel zwaar in Vught. Na aankomst moest een gezin eerst ingeschreven worden. Dat nam de nodige tijd in beslag. Daarbij werd ook alle bagage ingenomen. Daarna werden de gezinnen onmiddellijk gescheiden, mannen, vrouwen en de kinderen apart. Uit sommige interviews blijkt dat dit soms ongemerkt gebeurde. Kinderen ontdekten ineens dat hun ouders en broers en zussen weg waren. Zelf werden ze naar een barak gebracht met leeftijdgenoten, waar ze een plek moesten zoeken in een van de driehoge stapelbedden. Er was een barak voor de leeftijdsgroep 10 tot 13-jarigen. Dat betekent dat Selly en Nanny bij elkaar konden blijven.
Ze zagen hun ouders soms even op zondagmiddag, Tenminste als de vergunning daartoe niet was ingetrokken omdat het hele kamp straf was opgelegd. De kinderen, van hun ouders gescheiden, kwijnden weg van heimwee en weigerden daardoor te eten.
De barakken waren ingedeeld in een dagverblijf met tafels en lange banken en een slaapzaal, met stapelbedden, drie hoog, met daar tussen smalle gangen. De atmosfeer was vaak ondraaglijk door gebrek aan frisse lucht. Er was een keuken waar de enige kachel stond. Verder was er een magazijn, een kolenhok en een waslokaal met wc’s en wasbakken.
Per barak 200 tot 250 kinderen. Altijd geschreeuw, altijd lawaai en altijd druk. Iedere barak had een leidster. In die van de 10-13 jarigen was dat een ervaren iemand.
De meisjes waren verdeeld in groepjes van acht met een ouder meisje als leidster. Twee groepjes waren altijd samen, zodat twee leidsters voor zestien kinderen zorgden. Zij moesten er op letten dat de kinderen zich wasten en dat hun kleren in orde waren. Zij zorgden voor het eten en letten erop dat de kinderen het ook opaten. Ook controleerden ze kinderen regelmatig op luizen. Ook moesten de barakken schoon gehouden worden om ziekten tegen te gaan. Dat lukt soms wel, soms niet. Geprobeerd werd de kinderen wat af te schermen van wat er verder in het kamp gebeurde. Maar steeds werden ze toch weer opgeschrikt door het geschreeuw van de Aufseherinnen en de SS met hun honden.
De kinderen moesten ook op appel staan, net als de ouderen, vroeg in de ochtend, bij weer en wind. Dan werden de barakken doorzocht of er niemand was achter gebleven. Ook zieken met hoge koorts moesten naar buiten. Soms lieten de SS-ers en Aufseherinnen de kinderen lang wachten voor ze gingen tellen. Sommige kinderen vielen flauw. Als het te lang duurde werden de kinderen rumoerig, liepen uit de rij en gingen met elkaar stoeien. Daardoor moest er steeds opnieuw worden geteld. Daarbij werd geschopt en geslagen. Het is voorgekomen dat kinderen bewusteloos zijn geslagen. Maar er waren ook Aufseherinnen en SS-ers die de kinderen ontzagen.
Het dagelijks eten bestond uit drie dunne boterhammen, meestal zonder beleg en ’s middags koolsoep, bestaande uit water met koolbladeren en aardappelen.
Er was steeds te weinig brood en soms was het beschimmeld. Soms werd maar eens per 24 uur wat koffie of thee uitgereikt en van het water werd men ziek. De commandant weigerde apart voedsel dat meer geschikt was voor kinderen te laten komen. Hij had niet de leiding over een kinderkamp, maar over een werkkamp, was zijn redenering.
Men kon wel voedselpakketten ontvangen van familie en vrienden. Is dat vanuit Gennep gebeurd? Maar in de eerste twee weken van april heerste er in het kamp een ‘Paketsperre’, als straf omdat hier en daar kampeten is weggegooid. Ook mochten aan Joden geen Rode Kruis pakketten worden gestuurd.
Toen de Joden uit de provincie begin april binnen stroomden werd de bestaande school wegens plaatsgebrek gesloten. Leerkrachten probeerden toen in de woonbarakken door te gaan met lesgeven. Ze maakten gebruik van het vele les- en tekenmateriaal.
Daardoor kregen de kinderen in ieder geval afleiding, wat vooral nodig was wanneer een kinderbarak wekenlang in quarantaine was wegens besmettelijke ziekte. Die was er vaak en er kon weinig aan worden gedaan. De kinderen waren goed gezond toen ze in Vught aankwamen. Maar al na een paar dagen waren ze door gebrek aan goede voeding totaal verzwakt en zagen ze er uit alsof ze ernstig ziek waren. Bijna alle kinderen kregen dysenterie en waren erg vatbaar voor infecties. Door de overvolle barakken traden snel besmettingen op. Veel kinderen kregen oorontsteking en diaree. Voor de kinderen werden ziekenbarakken ingericht, maar er was onvoldoende eten en tekort aan medicijnen. De medicijnen die de joodse artsen zelf hadden meegebracht werden in beslag genomen. In het concentratiekampgedeelte waren wel medicamenten en medicijnen, maar niet in het joodse gedeelte. Dat werd door de Duitsers geweigerd. Iedere poging om de toestand in het kinderziekenhuis te verbeteren werd door de Duitse kampleiding onmogelijk gemaakt.
In mei bezocht professor Van Creveld, hoogleraar kindergeneeskunde, het kamp tien maal. Hij zorgde voor medicamenten, isolatiemateriaal, linnengoed, apparatuur voor bloedtransfusies en voedingsmiddelen. Maar toen het aankwam werd het door de SS in beslag genomen. Fritz Spiegel beschrijft dat er op een zondag ontluizing was. Iedereen moest zich uitkleden en zijn kleren op bed leggen, daarna moest men naakt, ook de kinderen, over het kampterrein naar de ontluizing lopen.
Het kindertransport
Eind mei kreeg de joodse kampleiding te horen dat alle kinderen weg moesten.
Ze zouden naar een speciaal ‘Kinderlager’ worden gebracht. De moeders mochten enkele dagen meegaan om zich er van te verzekeren dat de verzorging goed was. Maar de joodse kampleiding geloofde dit niet en stelde voor enkele kilometers verderop een kamp voor de kinderen in te richten, zodat zij hun ouders vaker konden zien. Er werden zelfs door de Joodse Raad inspanningen ondernomen om barakken te kopen. Maar dat ging uiteraard niet door.
Inmiddels waren Sam en Harry Andriesse en Jöbke Kaufman al niet meer in Vught, maar aan de Moerdijk. Aan hen was toegezegd dat hun vrouwen en kinderen in Vught zouden blijven, zolang zij aan de Moerdijk werkten. Of zij van hun vrouwen en kinderen afscheid hebben kunnen nemen toen ze naar de Moerdijk gingen? Dat was meestal niet mogelijk, want dergelijke overplaatsingen gebeurden onverwacht.
Begin juni gingen er steeds meer geruchten en op zaterdag 5 juni werd ’s avonds in de barakken door de barakoudsten de proclamatie voorgelezen dat alle kinderen van 0 tot 16 jaar het kamp moesten verlaten. De volgende dag, zondag, zouden al de kinderen jonger dan vier jaar met hun moeders vertrekken, de dag daarna de andere. Een van de ouders mocht hen begeleiden. Hierop brak natuurlijk een enorme consternatie uit. Iedereen was wanhopig, vooral de moeders wier mannen buiten het kamp werkten, zoals de Gennepse. Nu bleek dat de belofte die bij hun vertrek naar de Moerdijk was gedaan een verraderlijke leugen was. Vanuit de joodse kampleiding werd nog voorgesteld om op eigen kosten bussen in te zetten om de mannen tenminste voor enkele uren naar Vught te laten komen, maar dit verzoek werd afgewezen.
Om het vertrek zo rustig mogelijk te laten verlopen schakelde de joodse kampleiding 50 extra mannen in, die zelf geen kinderen hadden. Men hoopte hiermee te voorkomen dat de SS het vervoer ging regelen. Maar het verliep niet rustig, want er heerste natuurlijk een enorme spanning. Het was een ellendige stoet die op zondag 6 juni het kamp verliet in de onafgebroken regen. Aufseherinnen stonden er bij te lachen en SS-ers maakten foto’s. Maar er waren ook SS-ers die het vreselijk vonden. De voorzitter van de Joodse Raad David Cohen was zowel op zondag als maandag bij het vertrek aanwezig.
Het vervoer naar Westerbork gebeurde met goederenwagons.
Maandag tegen half vijf in de morgen kwam het eerste transport uit Vught in Westerbork aan. Daar was men verbijsterd. De journalist Philip Mechanicus(1889-1944) schreef in zijn dagboek:
‘*Een transport van zeventienhonderd en vijftig Joden in veewagens is aangekomen: op honderd mannen na, niet anders dan berooide vrouwen met haar kinderen en zuigelingen. Vrouwen en kinderen van mannen die aan de Moerdijk tewerkgesteld zijn. Ze kwamen broodmager, geradbraakt na een reis van tien uur. Ze spuwden vuur en vlam over de gemene behandeling in Vught, de afmatting, de vernedering… Toen de vrouwen in Westerbork aankwamen, schreiden zij, om de scheiding van hun mannen, om het lot harer kinderen*.’
Later op die maandag kwam het tweede transport aan, dat die ochtend uit Vught was vertrokken, 1400 mannen, vrouwen en kinderen. Daarbij Nanny en Selly en hun moeders. Van hen zal hetzelfde gezegd zijn als van het eerste transport. Ze werden in Westerbork zo goed mogelijk geholpen en van eten voorzien.
Vroeg in de morgen van de volgende dag, dinsdag 8 juni, kregen de mensen die uit Vught waren aangekomen bevel, dat ze zich gereed moesten maken voor vertrek.
Mechanicus zag hen naar de trein lopen, nu binnen het kamp, en schreef erover:
Ze zijn moe en uitgeput, ziek en vervuild. Ze zijn voor een deel met gesnauw, gedonder en slagen en stompen overgeheveld in de vuile vee- en goederenwagons, die hen naar het oosten overbrengen.
De gang van zaken rond wat de geschiedenis is ingegaan als het Kindertransport, dat nog jaarlijks in het Nationaal Monument Kamp Vught wordt herdacht, was des te tragischer omdat de mannen die aan de Moerdijk werkten niets wisten van het vertrek van hun vrouwen en kinderen.
Aan het werk van de Gennepse mannen aan de Moerdijk kwam op donderdag 1 juli 1943 een einde. Met 500 andere Joodse mannen gingen ze ’s nachts terug naar Vught. Aan de Moerdijk werden ze vervangen door niet-joodse werkkrachten. Vrijdag 2 juli gingen ze met bussen van het kamp naar het station (6 km). Daar moesten ze lang wachten. Er werd eten uitgedeeld door medewerkers van de Joodse Raad. Ze konden ook clandestien brieven meegeven. Tegen middernacht vertrok eindelijk de trein naar Westerbork. In elke wagon zaten 60 mensen en twee marechaussees. Op zaterdag 3 juli kwamen ze rond vijf uur in de ochtend aan in Westerbork., na een reis van zes uur. Daar werden ze vriendelijk ontvangen en in een heel andere sfeer dan in Vught. Ze waren daarom erg opgelucht. De marechaussees die waren meegereisd wensten sommigen nog spoedig wederzien in Amsterdam. Voordat ze echter een barak kregen toegewezen duurde de registratie ook weer enkele uren. Onder andere moesten ze weer langs het loket van de Liro.
De vier Gennepenaren bleven een week in Westerbork Zij gingen niet mee met het eerstvolgende transport naar Sobibor van 6 juli, maar wel met het daaropvolgende, van dinsdag 13 juli naar Sobibor. Daarna zou er nog maar een transport van Westerbork naar Sobibor gaan. Het volgende, op 24 augustus 1943 ging weer naar Auschwitz.
Sobibor
De veertien Joden die op 9 april 1943 vanuit Gennep naar het kamp Vught vertrokken zijn allen in Sobibor vergast. Van 15 juli 1942 tot 23 februari 1943 gingen 51 transporten, met in totaal 46.555 mensen vanuit Westerbork naar Auschwitz. Het eerst volgende transport na 23 februari 1943, dat van 2 maart 1943, ging naar Sobibor. Daarna volgden er tot 20 juli 1943 nog achttien, in totaal met 34.313 mensen. Daartoe behoorden op 11 mei zes, op 8 juni vier en op 13 juli ook vier Gennepenaren.
Lang is er over Sobibor weinig bekend geweest, terwijl daar in anderhalf jaar tijd, tussen april 1942 en oktober 1943 honderdduizenden Joden zijn vermoord. Reden voor die onbekendheid kan zijn, dat het kamp al eind 1943 volledig werd ontmanteld en er daarna nauwelijks sporen van zichtbaar waren. Maar een belangrijker reden lijkt dat er nauwelijks overlevenden van waren.
In Sobibor werd vanaf april 1942 vergast. Toen in het najaar van 1941 binnen de nazi-top de gedachte vaste vormen aannam dat de ‘eindoplossing van het joodse probleem’ alleen bereikt kon worden door alle Joden om te brengen, werd ook een organisatie in het leven geroepen die dat geconcentreerd op enkele plaatsen zou uitvoeren.
Naast het al bestaande Auschwitz en Chelmno moest dat gebeuren in nog te bouwen veel kleinere kampen, waar geen dwangarbeid plaats vond, maar waar op industriële schaal op zo efficiënt mogelijke wijze zoveel mogelijk Joden konden worden vermoord.
Auschwitz lag in het deel van Polen dat in 1939 bij Duitsland was ingelijfd, de nog te bouwen kampen kwamen in de rest van het veroverde deel van Polen, het zogenaamde General-Gouvernement. Als leider van het project, dat de naam Aktion Reinhard zou krijgen, werd op 13 oktober 1941 Odilo Globocnik aangesteld, een man die zich in vorige functies als meedogenloos en corrupt had getoond. Dezelfde dag werd besloten tot de bouw van Sobibor. Later zouden Treblinka en Majdanek nog volgen. Voor deze locaties was gekozen omdat ze aan een spoorlijn en in een dun bevolkt gebied lagen. Sobibor lag in een nauwelijks bewoond moerasgebied. In april 1942 was de bouw van het kamp zover dat de eerste vergassingen er konden plaats vinden. Zoals hiervoor al is gezegd, werd het personeel gerekruteerd uit vroegere medewerkers van het in augustus 1942 gestopte project T4, dat zich had gericht op het uit de weg ruimen van een andere groep die in nazi-ogen schadelijk was, geestelijke en lichamelijk gehandicapten. Nu werden ze betrokken bij een veel omvangrijker project, het van de aardbodem doen verdwijnen van miljoenen mensen die niet alleen schadelijk, maar ook levensgevaarlijk waren, Joden. Globocnik verwachtte dat met de kennis en ervaring van dit personeel het vergassingsproces in de daarvoor ingerichte kampen ‘restlos’ zou verlopen. En wat ook belangrijk was, ze wisten te zwijgen.
Toen in februari 1943 werd besloten dat de Nederlandse Joden niet meer naar Auschwitz gingen omdat dat vol zat, waren in Sobibor vanaf april 1942 al meer dan 100.000 mensen uit andere landen onmiddellijk na hun aankomst vermoord. Van sommige transporten werden er bij aankomst enkelen uit de groep gehaald om in omliggende kampen dwangarbeid te verrichten of om in het kamp zelf bij het moordproces te assisteren. Van de uit Nederland aangevoerde Joden is dat een kleine duizend overkomen.
Achttien van hen hebben dit overleefd, van wie twee ontsnapt zijn na de opstand in juli 1943.
Hier herdacht Selly Andriesse 1932 – 1943 Abraham Jakobsohn 1861 – 1943 Jülchen (Julchen) Andriesse-Jakobsohn 1899 – 1943 Harry (Henri) Andriesse 1897 – 1943 Is een steen hier beschadigd of weg? Laat het ons weten per e-mail