Spoorstraat 123 Gennep
Op dit adres woonde de familie van Leeuwen. Grootmoeder "moetje" van Leeuwen vierde begin 1941 nog haar 100e verjaardag, hetgeen groots werd gevierd met serenades, aubades, een cadeau van de buurt en heel veel bezoek. Zij overleed eind 1941, nog voor de deportaties begonnen. Haar zoon Simon dook in 1943 onder op de Gennepse Heij. Kleinzoon Arthur en diens vrouw Ellen van Leeuwen-Hoffmann doken onder in Berlijn, waar Ellen na enkele weken verraden werd. Arthur keerde na de oorlog terug in Gennep en hertrouwde (zijn vrouw Ellen was in Duitsland vermoord). Het stel had een dochtertje, Anneke, geboren in mei 1940, dat ter onderduik in Friesland werd overhandigd aan het verzet. Toen zoon Simon, dochter Jet en kleinzoon Arthur met zijn vrouw Ellen en dochtertje Anneke de oproep kregen voor deportatie, was het dus alleen Jet die in Gennep op de trein stapte richting Vught en vandaar via Westerbork naar Sobibor. Op dit adres is in 2019 pizzeria "La Bella" gevestigd. **Jet van Leeuwen** Jet ging dus mee met het transport van 9 april 1943. Arthur, Ellen, Anneke en Simon doken onder. **Ellen van Leeuwen-Hoffmann** Arthur en Ellen van Leeuwen kwamen na hun vlucht via familie in Düsseldorf in Berlijn terecht bij de zuster van Ellen, Hannie op de Tauenziehenstrasse 7. Zij gaven zich daar met valse papieren uit als niet-Joden, maar wel met hun echte namen en zelfs het adres Spoorstraat 123 Gennep. Arthur meldde zich in Berlijn bij het Arbeitsamt, want hij moest natuurlijk werk hebben. Vanaf 29 april 1943 was hij als elektromonteur werkzaam bij de firma Warmte, een Nederlands bedrijf met filialen in Amsterdam en Kiew. Toen Arthur uit Berlijn vertrokken was, bestond er korte tijd geregeld briefcontact tussen Arthur en Ellen. De laatste brief is van 11 juni 1943. In Charkow hoorde Arthur dat ene Ellen Löwen-Hoffmann door de Gestapo was gearresteerd. Ellen en Hannie waren door een boven hen wonende buurvrouw aan de Gestapo verraden en werden op 7 juni 1943 gearresteerd. Hannie, die als half-jodin gold, kwam in de gevangenis, daarna in het kamp Ravensbrück en overleefde. Op 17 juni 1943 werd Ellen van Berlijn naar Theresienstadt gedeporteerd. In Theresienstadt is zij zestien maanden geweest. Al na twee maanden dreigde zij doorgestuurd te worden naar Auschwitz. Ze verzette zich daartegen door zich schriftelijk te wenden tot het joodse bestuur in Theresienstadt, dat belast was met het opstellen van de deportatielijsten: *"Ich ersuche Ausreihung aus dem Transporte. Als Grund führe ich an dass ich laut gültiger Vorschriften Mischling bin und als solcher nicht eingereiht werden soll"*. Ze ondertekende met Ellen van Leeuwen. Kennelijk wist men in Theresienstadt niet dat zij met een Jood was getrouwd en daardoor haar status als ‘mischling’ had verloren. En misschien heeft men dat in juni bij haar arrestatie in Berlijn ook niet geweten. In ieder geval wist ze met dit briefje te bereiken dat ze mocht blijven. Dat lukte nog een jaar. Hoe ze die tijd is doorgekomen is niet bekend. Het was niet gemakkelijk in Theresienstadt, al was het officieel dan geen vernietigingskamp. Maar de woonomstandigheden waren zeer ellendig en er was ook weinig te eten. Begin september 1944 kwam Lore Kann, de dochter van fabrikant Ernst Kann vanuit Westerbork in Theresienstadt aan. Ellen en Lore scheelden vier jaar in leeftijd en kenden elkaar nog uit Goch en later uit Gennep. Vanaf de zomer 1944 gingen er geregeld transporten uit Theresienstadt naar Auschwitz. Op oktober 1944 was Ellen ook aan de beurt. Dat viel nu niet meer tegen te houden. Lore Kann bracht haar naar de trein. Het transport bestond uit 1500 mensen. Van hen werden bij aankomst in Auschwitz 157 vrouwen in het Durchgangslager opgenomen, in afwachting naar welk werkkamp ze gestuurd zouden worden. Ellen hoorde daar ook bij, hoewel iemand later zou verklaren dat dit moeilijk voorstelbaar was, zo slecht zag ze er uit. Op 29 oktober vertrok zij met 1000 andere vrouwen van verschillende leeftijd naar Gross Rosen. Onder hen waren verschillende moeders met dochters. Ze kregen daar de nummers 79501-80500. Gross Rosen lag 200 kilometer ten westen van Auschwitz, 50 kilometer boven Breslau. In Gross Rosen bleek dat deze groep voor het werkkamp voor vrouwen Kurzbach (thans Bukolowe) was bestemd. Dat kamp was onderdeel van het Unternehmen Bartold, dat met inzet van dwangarbeiders, krijgsgevangenen, plaatselijke bevolking, jongeren en vanaf oktober 1944 ook concentratiekamp-gevangenen verdedigingswerken bouwde. Daar werden de 1000 joodse vrouwen uit Auschwitz aan toe gevoegd. Ze werden onder zeer primitieve omstandigheden ondergebracht in twee stallen die tot een landgoed van de Fürst von Hatzfeld behoorden. Een varkensstal diende als ziekenzaal. SS-ers en oorlogsgewonde soldaten bewaakten hen. De Lagerführer was een reservekapitein, die zich naar getuigenis van overlevenden, menselijk gedroeg. Maar zijn adjunct was een politieman die de gevangenen regelmatig met de zweep sloeg, die hij altijd bij zich had. Ook waren er enkele bewaaksters die de vrouwen slecht behandelden, ze sloegen ze en onthielden ze eten als straf. De vrouwen droegen geen streeppakken, maar hun veel te dunne kleren waren van achteren wel met olieverf gekentekend, om vluchten tegen te gaan. Hun eten was uiterst karig, het bestond per dag uit wat soep, brood en koffie. Het werk was voor de meesten erg zwaar. Het werd aangestuurd vanuit de Organisation Todt, het paramilitaire orgaan van waaruit Arthur bij het NSKK terecht was gekomen. Na een dagelijkse mars van meerdere kilometers moesten ze in groepen van 100 vrouwen onder toezicht van twee bewakers bomen vellen en pantsergrachten uitgraven. Dat gebeurde bij bijna 20 graden kou met primitieve hulpmiddelen in de bevroren bodem. Door uitputting, honger, kou of mishandeling zijn veel vrouwen omgekomen Het is niet zeker dat Ellen ook in deze omstandigheden heeft moeten werken. Enkele vrouwen werden ingezet als bedienden van de kampleiding of werkten in de kleermakerij. Zij hadden het beter. Er is een kleine kans dat zij daar bij gehoord heeft. Misschien heeft daarbij geholpen dat zij van huis uit Duits sprak. Toen de Russen naderden moesten de vrouwen te voet terug naar Gross Rosen. Dat was een afstand van 90 kilometer. Toen ze na dagen, in dunne kleding en met nauwelijks iets te eten, in Gross Rosen aankwamen waren er 200 vrouwen overleden. En ook dit heeft Ellen overleefd. De overgeblevenen bleven twee weken in het overvolle Gross Rosen. In die periode is Werner Hertog daar ook terecht gekomen. Maar hij bleef maar enkele dagen in deze hel. De vrouwen vertrokken in open veewagens naar Bergen Belsen. Daar is zij niet aangekomen. Was dat wel gebeurd, dan is het niet zeker of zij daar wel had overleefd. Van degenen die daar aankwamen zijn er nog velen aan honger en tyfus gestorven. Waar en wanneer zij onderweg is gestorven is niet bekend en ook niet waar men haar lichaam heeft achtergelaten.
Hier herdacht Jetje van Leeuwen 1872 – 1943 Ellen van Leeuwen-Hoffmann 1919 – 1945 Is een steen hier beschadigd of weg? Laat het ons weten per e-mail