Abraham Muller, geboren in Groningen in 1905, werkte als magazijnknecht en winkelbediende. Op 5 september 1934 trouwde hij in Rotterdam met Kaatje Dwinger, geboren in Rotterdam in 1906. Hun dochter Esther Keetje werd daar op 6 juli 1938 geboren. In oktober 1940 verhuisde het gezin naar Schiedam en op 5 februari 1941 naar de Sperwerstraat 21 in Haarlem.
In de nacht van 25 op 26 augustus 1942 ging het gezin met het eerste transport van Haarlemse Joden naar Westerbork. Op 28 augustus werden zij naar Auschwitz gedeporteerd. Abraham is onderweg waarschijnlijk in Kosel met andere mannen uit de trein gehaald voor dwangarbeid. Hij stierf uiterlijk op 30 april 1943, 37 jaar oud. Kaatje, 35 jaar, en Esther, 4 jaar, werden op 31 augustus 1942 bij aankomst in Auschwitz vermoord. Op 10 september 1942 schreven ambtenaren op wat in het huis was achtergebleven. Op de lijst staat ook speelgoed van Esther: een poppentafel, twee poppenstoeltjes en een poppenwagen.