Kamperstraat 14 Zwolle
Met deze struikelstenen herdenken we Betje Wolff-Kats en haar zoontje Menno Wolff. Betje en Menno zijn op 11 juni 1943 in de gaskamers van het vernietigingskamp Sobibor vermoord, 44 en 8 jaar oud. Betje was weduwe van Aaron Wolff.**
Harry Hes schetste hun levensloop bij de onthulling van de Stolpersteine op 3 november 2017.
Wolff en Kats waren Joodse families in Zuidoost Drenthe. Betje Kats werd geboren in Nieuw Amsterdam, gemeente Emmen, op 27 september 1898. Zij was de jongste van acht kinderen in het gezin van Meijer Kats en Eva van Geuns.
Op 24 mei 1932 trouwde zij, 33 jaar oud, in Emmen met Arnold (Aaron) Wolff, 39 jaar oud, uit Meppel. Daar dreef de familie Wolff een groothandel in behangselpapier en aanverwante artikelen. Het bedrijf had een filiaal in Den Bosch. Arnold Wolff startte op 29 juli 1932 een tweede filiaal in Zwolle aan de Kamperstraat 14, waar het echtpaar ook ging wonen.
“Mevrouw Wolff en ik hebben aardig gezelschap aan elkaar en handwerken ook dikwijls samen”. Dit schrijft mijn moeder op 29 juli 1934 in een bewaard gebleven brief aan haar nichtje Hilde in het buitenland. Dat handwerken heeft een doel, namelijk het breien en haken van babykleertjes. Zowel mijn moeder als Betje Wolff zijn op dit moment ongeveer haverwege hun eerste zwangerschap. Opmerkelijk is dat mijn moeder schrijft over “mevrouw Wolff” en geen voornaam gebruikt. De relatie berust vermoedelijk op hun gelijktijdige zwangerschap en mogelijk kennen zij elkaar uit de prenatale zorg. En zij zullen dezelfde kraamhulp krijgen, zuster Zeegers.
Op 8 november 1934 word ik geboren, thuis op Ter Pelkwijkstraat 3. Zuster Zeegers staat mijn moeder de eerste weken bij. Daarna vertrekt zij naar de Kamperstraat 14, waar zij Betje Wolff assisteert, die op 1 december 1934 in het Sophia-Ziekenhuis is bevallen van haar zoon Menno.
Menno en ik groeien samen op, zeker in onze eerste jaren. Daarvan spreekt een aantal foto’s dat bewaard zijn gebleven. De moeders samen met de kinderwagens aan de wandel, Menno en ik samen in de box, samen in het park, samen spelend in de woonkamer en in de tuin. Na 1938-’39 lijkt contact iets te verflauwen. Blijkens bewaarde foto’s richt ons gezin, inmiddels uitgebreid met mijn broertje, zich meer op de primaire kring van familie en intieme vrienden.
Tegelijk speelt zich in het gezin Wolff een drama af. Op 2 februari 1939 overlijdt echtgenoot en vader Arnold Wolff, 46 jaar oud, “na kortstondige ziekte”, aldus de advertentie in het Algemeen Handelsblad van 5 februari 1939. De firma wordt vooralsnog vanuit Meppel beheerd. Per 30 december 1940 is het filiaal Zwolle opgeheven.
Menno en ik gaan in 1939 naar de kleuterschool van School I aan de Westerlaan (later: Parkschool, nu dependance Celeanum). Het is de bedoeling onze schoolloopbaan daar per september 1941 in de eerste klas voort te zetten. De maatregel van de bezetter tegen Joodse kinderen verhindert dat. In plaats daarvan gaan wij naar de eerste klas van het inderhaast geïmproviseerde Joodse lagere schooltje in de Voorstraat. Een indruk van de mate van improvisatie geeft mijn Kerstrapport, door juffrouw Frank geschreven op een briefkaart.
De verbinding tussen Menno en mij blijft hecht. Dat ontleen ik aan een briefje van mijn hand, waarin ik aan mijn vader, dan al ondergedoken, verslag doe van mijn verjaardag op 8 november 1941: van de aanwezige kinderen mogen Fientje (achternichtje) en Menno blijven eten. In de loop van 1942 duiken achtereenvolgens mijn vader (definitief), moeder, broer Abel en ik onder en verliezen we Betje Wolff en Menno uit het oog.
Betje en Menno zijn na de dood van Arnold op Kamperstraat 14 blijven wonen. Zij ontsnappen aan de deportaties van oktober en november 1942, omdat Betje Wolff per 6 oktober 1942 als onderwijzeres aan de Joodse lagere school een onmisbaarheidsverklaring van de Joodse Raad bezit. Maar deze zogeheten Sperre betekende uiteindelijk slechts enkele maanden uitstel.
Op 6 april 1943 werd bekend dat alle nog overgebleven Joden, uitgezonderd de gemengd gehuwden en de zogenoemde half- en kwartjoden, Overijssel en Gelderland uiterlijk op 10 april moesten hebben verlaten. Overijssel moest ‘Judenrein’ worden. Betje Wolff en haar zoon zijn op 9 april 1943 afgevoerd naar het concentratiekamp Vught. Op dinsdag 8 juni 1943 vertrekt transport 68 van Westerbork naar Sobibor. De trein telt 46 wagons met 3017 gedeporteerden, van wie 1145 kinderen. Dit was het zogenoemde kindertransport. Tot het transport behoorden kinderen, die op de voorafgaande zondag en maandag vanuit Vught in Westerbork waren aangekomen, de meesten met hun moeders. Onder hen ook Betje Wolff-Kats en haar zoontje Menno. Zij stierven direct na aankomst op 11 juni 1943 in de gaskamers van Sobibor. Niemand van het transport heeft de oorlog overleefd.
In de na-oorlogse jaren vroeg mijn moeder mij soms onverwacht: “denk jij nog wel eens aan Menno Wolff”. “Eigenlijk niet” moest ik dan antwoorden, bezig als ik was met school, sport, muziek en het volgende feestje; en voelde me even lichtelijk schuldig. Als het me nu zou worden gevraagd, dan kan ik naar eer en geweten antwoorden dat ik de laatste weken heel veel aan hem en zijn moeder heb gedacht. Hoe zij werden vernederd, gefolterd en vermoord, alleen maar omdat zij Joods waren. Mogen hun zielen zijn opgenomen in de bundel van het eeuwige leven.
Harry Hes
Hier herdacht Betje Wolff-Kats 1898 – 1943 Menno Wolff 1934 – 1943 Is een steen hier beschadigd of weg? Laat het ons weten per e-mail