Molenweg 123 Zwolle
Met deze struikelstenen herdenken we het gezin Zwart-Hartog bestaande uit vader Meijer, moeder Mathilda en de kinderen Gonnigje en Abraham. De kinderen sterven samen met hun moeder op 3 december 1942 in de gaskamers van Auschwitz-Birkenau. Gonnigje is dan13 jaar oud, Abraham 12 en Mathilda 54. Meijer Zwart was al ruim een maand eerder, op 26 oktober ’42, op dezelfde plek omgebracht, 55 jaar oud.**
Van hun leven weten wij weinig af. Zoals zo veel andere Joodse Zwollenaren zijn zij van aardbodem weggevaagd zonder dat er veel sporen van hen zijn achtergebleven. Overlevende familieleden zijn niet bekend. Foto’s zijn niet overgeleverd. In de archieven vinden we alleen de gebruikelijke gegevens over geboorten, huwelijken, overlijdens en woonadressen. De route naar hun ondergang is daarentegen op papier wel weer goed te volgen.
Meijer Zwart ziet het levenslicht in Zwolle. Hij blijft enig kind en verdient de kost als magazijnbediende. Uit de Zwolsche Courant weten we dat hij duivenliefhebber is. Woonadres, beroep en hobby plaatsen hem in het Zwolse arbeidersmilieu.
Op 42-jarige leeftijd trouwt hij 23 juli 1929 in Zwolle met de 40-jarige Mathilda Hartog, geboren in Mijdrecht. Er is enige noodzaak, want al op 22 september komt dochter Gonnigje ter wereld, exact één jaar later gevolgd door zoon Abraham. De kinderen zijn vernoemd naar de ouders van Meijer.
In het schooljaar ’41-’42 zitten Gonnigje en Abraham op de Joodse lagere school in de Voorstraat. Joodse kinderen mochten niet meer bij niet-Joodse kinderen in de klas.
Sippora Stibbe, in 1931 geboren in de Papenstraat met een Joodse vader en een niet-Joodse moeder, legde haar jeugdherinneringen vast in het boek Hoe zorgeloos is de kindertijd. Jeugdherinneringen van een halfjoods meisje in oorlogstijd. Zij herinnert zich:
Het zal in de zomer van 1942 geweest zijn dat ik met mijn moeder mee ging naar de Molenweg. Daar woonde Meijer Zwart, met zijn vrouw en Gonnie en Appie. Ik kende ze niet goed. Ik wist alleen dat Meijer vroeger knecht was geweest in het pakhuis van mijn grootvader. Bovendien; wie had er nou twee achternamen, Meijer en Zwart. Mijn tante Dirkje had Meijer als achternaam, dus vond ik het allemaal maar raar.
Wat wist ik van Gonnie en Appie? Niet veel. En men had mij ook niet erg duidelijk gemaakt dat ik als dochter van een Joodse vader en een niet-Joodse moeder wel mocht spelen met Joodse kinderen. En dat ik ook met mijn moeder bij hen thuis mocht komen. Christenen en Joden mochten immers in die tijd geen omgang hebben met elkaar. Ja, wat de Duitsers allemaal niet bedachten om de Joodse mensen te isoleren.
Gonnie en Appie waren ietsje ouder dan ik. Gonnie 2 jaar denk ik, en Appie 1 jaar. Appie had rossig haar en sproeten, dat weet ik nog. Het waren stille kinderen en ik was een druktemaker. Dus heel veel vond ik er niet aan. Wat we speelden? Ik zou het niet meer weten.
Kort daarna zagen we de buren langs onze straatramen rennen. Wij ook het huis uit en er achteraan, het zal eind zomer, begin herfst 1942 zijn geweest. Wij woonden in de Papenstraat. Op de hoek van de Praubstraat, bij de winkel van bakker Spanjer, stond de hele buurt. We konden nog net zien hoe Meijer Zwart als laatste van een groep Joden het politiebureau binnen ging. Vader schreeuwde naar hem: “Doe daar maar goed je best daarginds. Ja hoor, Iese”, antwoordde Meijer. Of Meijer zich realiseerde welk lot hem boven het hoofd hing, zullen we nooit weten.
Volgende sporen leiden naar het doorgangskamp Westerbork waar Meijer begin oktober 1942 wordt geregistreerd. Hij komt dan uit een Nederlands werkkamp voor Joodse mannen. Onbekend is welk kamp. Tientallen Joodse mannen uit Zwolle zijn in de zomer van ’42 gedwongen tewerk gesteld in kampen in Overijssel en Friesland. Het door Sippora Stibbe gememoreerde dialoogje bij het Zwolse politiebureau vond waarschijnlijk plaats bij Meijers vertrek naar zo’n werkkamp.
Op 2 oktober 1942 zijn alle mannen uit de werkkampen overgebracht naar Westerbork. Hun partners en kinderen zijn onder het voorwendsel van gezinshereniging op 2 oktober in de gymnastiekzaal van het gymnasium Celeanum aan de Veerallee samengebracht en de volgende dag via het Zwolse veestation naar Westerbork gedeporteerd.
Mathilda en de kinderen zijn daar echter niet bij. Heeft zij bewust niet gereageerd op de oproep zich te melden bij het Celeanum? Was zijzelf of een van de kinderen ziek? Heeft een Zwolse politieman die hen moest ophalen een oogje dicht gedaan? We weten het niet.
Het betekent niet meer dan enkele weken uitstel. Op 19 november worden zij alsnog via de Wijnbeekschool aan de Goudsteeg naar Westerbork gedeporteerd. Meijer treffen ze daar niet meer aan. Hij was al op 23 oktober naar Auschwitz gedeporteerd.
Waarschijnlijk heeft Mathilda in Westerbork nog wel navraag gedaan naar haar man. Een helder antwoord zal ze niet hebben gekregen. Op 30 november1942 gaat ook zij met haar kinderen op transport naar Auschwitz, samen met 823 anderen. Alle vrouwen en kinderen zijn onmiddellijk na aankomst, drie dagen na vertrek uit Westerbork, omgebracht.
Een oud Joods spreekwoord zegt een mens gaat altijd twee keer dood, de tweede keer als hij vergeten wordt. Nooit is voor het gezin Zwart een grafteken opgericht. Hun as ligt op een anonieme plek onder een weiland achter het kamp Birkenau. Via deze Stolpersteine keren ze terug naar hun vroegere plek in hun straat, terug in de Zwolse gemeenschap. Hun namen zijn weer zichtbaar. Ze verdwijnen niet anoniem in de geschiedenis. Ze zijn niet vergeten.
Hier herdacht Mathilda Zwart-Hartog 1888 – 1942 Abraham Zwart 1930 – 1942 Gonnigje Zwart 1929 – 1942 Meijer Zwart 1887 – 1942 Is een steen hier beschadigd of weg? Laat het ons weten per e-mail