Rebecca Slap-Reens en Abraham Reens kwamen uit een orthodox-joodse familie die verbonden was aan een kleine synagoge in de buurt van het Overtoom in Amsterdam. Rebecca was in 1910 weduwe geworden na het overlijden van Israël Slap. Tijdens de Shoah verloor ze ook haar zoon Eliazer, haar dochter Sara en verschillende kleinkinderen; twee kleinzonen overleefden het in België. In 1929 trok ze in bij haar broer Abraham Reens en diens vrouw Rebecca Reens-Rabbie aan de Lomanstraat 66. Abraham was meubelhandelaar en stierf in 1938. Rebecca Slap-Reens en Rebecca Reens-Rabbie werden op 8 april 1943 in Westerbork geregistreerd, op 13 april naar Sobibor gedeporteerd en daar op 16 april vermoord. Ook Abrahams dochters Vrouwkje, Heintje en Branca werden in 1943 gedeporteerd en vermoord. Vrouwkje werkte als verkoopster, Heintje als lerares aan de joodse Palache-school en Branca als boekhoudster.