Jacques werd in september 1925 geadopteerd door Isaac Mok en Judith Erwteman en woonde sinds 1929 bij hen in de Tolstraat 39hs. Na het overlijden van Judith in september 1931 hertrouwde Isaac in februari 1932 met Rebecca van Collem. Jacques ging naar de Lutmaschool en werkte als diamantslijper. Hij bezocht de lunchroom van Heck op het Rembrandtplein met zijn vriend Wolf Tokkie. Jacques kende zijn halfzus Adriana Janine niet tot het einde van de oorlog.
Op 14 juli 1942 bezocht Jacques zijn verloofde Frieda Wolder, ondanks waarschuwingen voor razzia's. Hij werd waarschijnlijk gearresteerd in de buurt van Cornelis Troost. Hij werd waarschijnlijk gearresteerd in de buurt van het Cornelis Troostplein of de Apollolaan. Jacques was één van de gegijzelden en werd op 25 juli overgebracht naar Westerbork. Op 27 juli werd hij naar Auschwitz getransporteerd, waar hij op 23 augustus 1942 stierf aan tyfus. Zijn ouders doken onder nadat hij niet terugkeerde en woonden tot de bevrijding bij de grootouders van de verteller in Amersfoort, niet op de hoogte van het lot van Jacques. Jacques was 21 jaar oud toen hij stierf.