Het is april 1944. Louis Aerts is aan het werk op de boerderij van zijn ouders wanneer drie Amerikaanse piloten, die boven Nederland zijn neergeschoten, plotseling voor hem verschijnen. Uitgeput en uitgehongerd hebben ze een briefje in het Nederlands bij zich:
“Kunt u ons helpen? Wij zijn drie Amerikanen. We hebben honger en zijn te voet vanuit Nederland gekomen.”
Louis en zijn vrouw, Maria, zorgen voor de mannen en verbergen hen voor de Duitse soldaten. Na vier nachten trekken de piloten verder. Louis en Maria denken dat het gevaar geweken is, maar ze worden verraden.
Op 28 juni arriveert de SiPo (Sicherheitspolizei) bij Hoeve de Ploeg in Herselt, op zoek naar Louis. Hij weet zich in de schuur te verstoppen, maar wanneer de Duitsers hem niet kunnen vinden, nemen ze in plaats daarvan Maria en Louis’ broer Frans mee.
Louis vlucht naar het huis van zijn schoonouders. Samen besluiten ze dat hij zich niet moet aangeven, in de overtuiging dat Maria en Frans uiteindelijk zullen worden vrijgelaten.
Maria en haar zwager Frans worden gedwongen in een trein naar Duitsland te stappen. De vrouwen worden naar een ander concentratiekamp gestuurd dan de mannen, maar ze ondergaan dezelfde behandeling: ze worden van hun kleren ontdaan, hun hoofden worden geschoren en hun lichamen worden ontsmet. Ze krijgen een uniform en een nummer. Vanaf dat moment is Maria gevangene 51015.
Het leven in het kamp is zwaar. De vrouwen steunen elkaar waar ze kunnen, en voordat ze gaan slapen, zingen ze samen om de moed erin te houden.
Maar de ontberingen eisen hun tol. Maria heeft honger, is uitgeput en wordt ziek. Niet lang daarna krijgen alle vrouwen het bevel het kamp te voet te verlaten. Maria is te zwak om te lopen en blijft achter bij de andere zieke gevangenen.
Kort daarna overlijdt ze. Ze is pas 24 jaar oud.
Een paar dagen later wordt het kamp bevrijd door het Rode Leger.