Roger Terrin werd op 11 juni 1923 geboren als zoon van Alfons Terrin en Yvonne Callebert. Op 1 januari 1942 schreef zijn vader Alfons zijn zoon in bij de inlichtingendienst en verzetsgroep ZIG. Op 15 februari 1943 ontving Roger Terrin een verplichte oproep van het Duitse rekruteringsbureau om in Duitsland te gaan werken.
Hij dook onder in Frankrijk, meer bepaald bij een voormalige inwoner van Bever, Goethals, in Loyer-lez-Andelys, niet ver van Rouen.
Het Duitse rekruteringsbureau wilde zijn weigering niet accepteren.
Als Roger zich tegen eind maart 1943 niet zou melden, zou zijn vader Alfons zijn plaats moeten innemen.
Alfons Terrin bracht zijn meerdere in het verzet, majoor de Penaranda de Fanchimont, onmiddellijk op de hoogte van het ultimatum. De zaak werd vervolgens op hoger niveau besproken. Vader Terrin krijgt het bevel om in Roeselare te blijven: “België en de geallieerden kunnen niet zonder hem. Als hij verloren gaat, wordt een cruciale schakel in het communicatienetwerk [van het verzet] verbroken.”
Alfons reist naar Rouen en ontmoet zijn zoon op een brug over de Seine. Daar bespreken ze de moeilijke situatie. Uit liefde voor zijn land en uit plichtsbesef besluit Roger zich te melden bij het rekruteringsbureau in Roeselare. Op 25 maart 1943 vertrekt hij naar Berlijn. Daar komt hij op 27 januari 1944 om het leven tijdens een geallieerde luchtaanval. Zijn vader Alfons ontvangt het tragische nieuws terwijl hij twee Amerikaanse piloten helpt onder te duiken. Hij en zijn vrouw zijn er kapot van. Toch vervult hij zijn plicht en brengt hij de twee Amerikanen naar hun schuilplaats in de Rue Long Fraix in Brussel. Pas op 1 mei 1948 werd Rogers stoffelijk overschot gerepatrieerd naar Roeselare en met de nodige militaire en burgerlijke eer begraven op de gemeentelijke begraafplaats.