Elisabeth Andriesse groeide op in Vlissingen. Toen ze ongeveer vijftien was, besloot haar vader naar België te verhuizen. In Antwerpen trouwde Elisabeth met Pinkas Spira, een Poolse man, en het stel kreeg een zoon, Jean. Omdat hij in België bleef nadat zijn verblijfsvergunning van 10 dagen was verlopen, werd Pinkas staatloos. Door haar huwelijk deelde Elisabeth dat statuut. Als gevolg daarvan mocht haar familie de Franse grens niet over. Haar ouders en haar broer Lou mochten dat wel. Ze reisden door naar Nederlands-Indië en kwamen uiteindelijk in Japanse kampen terecht. Elisabeth, Pinkas en hun zoon keerden terug naar Antwerpen en woonden in de Herculusstraat 1 in Berchem. In het najaar van 1941 slaagden ze erin om clandestien de Vrije Zone in Frankrijk te bereiken. Maar ook daar waren de Joden niet veilig. Ze stellen alles in het werk om hun vlucht voort te zetten.
Pinkas slaagt erin de Pyreneeën over te steken naar Spanje. Elisabeth en Jean vallen in handen van een malafide netwerk van passeurs. Tijdens hun eerste vluchtpoging worden ze gepakt, maar in ruil voor veel smeergeld weer vrijgelaten. Een tweede poging blijkt fataal: ze worden gearresteerd en naar Drancy gebracht. Van daaruit vertrekken ze met het 76e transport naar het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau, waar ze onmiddellijk worden vermoord. Elisabeth is 36 en Jean is 6. Ingrid Vander Veken schreef het beklemmende boek "Verloren" over de tragische oorlogservaringen van Elisabeth Andriesse en haar familie. (Pelckmans, ISBN 978 94 6434 161 4).